Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
08-1749 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvulling van de FPU-uitkering. Compensatie verlies aan pensioenopbouw. Vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1749 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 februari 2008, 07-2973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: college)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante, geboren op 4 oktober 1949, was werkzaam bij de gemeente Zaanstad. In december 2002 hebben de gemeente en appellante een door hen als vaststellingsovereenkomst betitelde overeenkomst gesloten die onder meer het volgende inhoudt:

“ overwegende dat het gewenst is een regeling te treffen, waarbij enerzijds aan mevrouw [appellante] geen werkzaamheden worden opgedragen, en anderzijds te bewerkstelligen dat zij tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar financiële inkomsten blijft behouden,

(…)

1. Mevrouw [appellante] blijft in dienst van de gemeente Zaanstad tot uiterlijk 1 november 2006.

2. Van 11 januari 2003 tot 1 oktober 2003 wordt 80% van de bezoldiging uitbetaald.

3. Van 1 oktober 2003 tot 1 november 2006 wordt 70% van de bezoldiging uitbetaald.

4. De berekeningsgrondslag voor ABP- en FPU-uitkeringen blijft gehandhaafd op 100% van de bezoldiging van betrokkene.

5. De bezoldiging en berekeningsgrondslag volgen de salarisontwikkelingen van de gemeentelijke sector.

6. (…)

7. De uitkering op grond van de FPU-regeling wordt aangevuld tot 70% van de berekeningsgrondslag.

8. Het verlies aan pensioenopbouw tot 62 jaar wordt volledig gecompenseerd door storting van een eenmalig bedrag bij Loyalis (vroegere ABP Verzekeringen).

(…)”

1.2. Het college heeft aan de punten 7 en 8 van deze overeenkomst (voorlopig) uitvoering willen geven door aanvaarding van een desgevraagd door Loyalis Verzekeringen uitgebrachte “offerte compensatieplan uitkering” en betaling van de daarin vermelde koopsom. Appellante heeft tegen deze wijze van uitvoering bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 27 maart 2007 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad over de onderscheidene geschilpunten het volgende.

3.1. De aanvulling van de FPU-uitkering.

3.1.1. Het college heeft de berekeningsgrondslag voor de FPU-uitkering per datum uittree 1 november 2006 vastgesteld op € 53.284,54. Namens appellante is evenwel uiteengezet dat deze grondslag per die datum op € 54.077,00 moet worden bepaald. Appellante heeft hier, anders dan het college, een nauwkeurige berekening van gegeven en een bewijsmiddel bijgevoegd. Gelet voorts op het feit dat het college niet heeft bestreden dat deze berekening juist is, stelt de Raad vast dat de door appellante vermelde hoogte van de berekeningsgrondslag per meergenoemde datum correct is. Op dit punt kleeft aan het bestreden besluit in zoverre een gebrek.

3.1.2. In de door het college aanvaarde offerte van Loyalis is opgenomen dat de aanvullende uitkering met ingang van 1 januari 2007 jaarlijks met 1% stijgt. Dit percentage kan in geval Loyalis in een desbetreffend jaar winst maakt nog worden verhoogd. Met appellante is de Raad echter van oordeel dat de jaarlijkse verhoging van de uitkering is geregeld onder punt 5 in verbinding met punt 7 van de vaststellingsovereenkomst. Daarin is immers uitdrukkelijk bepaald dat de berekeningsgrondslag de salarisontwikkelingen van de gemeentelijke sector volgt. De Raad kan zich niet verenigen met het standpunt van het college dat deze bepaling slechts betrekking heeft op de periode tot het moment van ontslag (1 november 2006). In die uitleg wordt dit deel van het onder punt 5 bepaalde namelijk elke redelijke zin en betekenis ontnomen omdat zich dan juist niet de situatie kan voordoen dat de berekeningsgrondslag de salarisontwikkeling van de gemeentelijke sector volgt. Kennelijk was het bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling dat appellante niet alleen gedurende een ruime periode voorafgaande aan haar ontslag waarin zij niet werkzaam zou zijn, maar ook in de periode vanaf haar ontslag tot het moment waarop zij de leeftijd van 65 jaar zou bereiken, 70% van haar salaris zou genieten.

3.1.3. Appellante heeft verder gesteld dat de zogeheten FPU-gemeenten bij de berekening van de hoogte van de aanvullende uitkering buiten beschouwing moet blijven en die FPU-gemeenten haar bovenop de aanvullende uitkering toekomt. De Raad wijst deze stelling af. Deze stelling leidt tot een hoogte van het inkomen van appellante na ontslag die niet de bedoeling kan zijn geweest; er zou sprake zijn van een hoger inkomen dan appellante de laatste jaren vóór haar ontslag zou hebben. Voorts wijst de Raad erop dat onder punt 4 van de overeenkomst sprake is van “FPU-uitkeringen” (meervoud).

3.2. Compensatie verlies aan pensioenopbouw.

3.2.1. De compensatie voor het verlies aan persioenopbouw vindt volgens de overeenkomst plaats over de periode van 1 november 2006 (ontslagdatum) tot het bereiken van de 62-jarige leeftijd. In de offerte is, ten voordele van appellante, uitgegaan van compensatie tot spilleeftijd 62 jaar en 3 maanden.

Naar het oordeel van de Raad brengt punt 8 van de overeenkomst, in samenhang bezien met de punten 4 en 5 met zich mee dat gecompenseerd dient te worden het verschil in ouderdomspensioen dat appellante in verband met haar ontslag per 1 november 2006 door het Abp daadwerkelijk in 2014 zal worden uitbetaald en het ouderdomspensioen dat aan appellante zou zijn uitbetaald als zij tot de spilleeftijd daadwerkelijk in dienst van de gemeente Zaanstad zou zijn gebleven. In dat geval had appellante tussen 1 november 2006 en 4 januari 2012 steeds pensioen opgebouwd over 12 maal het - de salarisontwikkelingen in de gemeentelijke sector volgend - pensioengevend salaris in de respectievelijke maanden januari van de jaren 2007 tot en met 2011, telkens vermeerderd met de vakantietoeslag en verminderd met de franchische over die jaren. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen konden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de beide componenten in deze vergelijking niet nauwkeurig worden bepaald. In de offerte is uitgegaan van een - niet nader gespecificeerde - aanvullende uitkering van € 292, 67 per maand, die jaarlijks met 1% stijgt en mogelijk nog extra stijgt in geval van winst bij Loyalis op de beleggingsresultaten. Het college heeft appellante daarom toegezegd dat als zij tekort zou komen aan de aanvullende pensioenuitkering van Loyalis, er correctie en bijstorting zal plaatsvinden. De Raad gaat ervan uit dat bij de beoordeling door het college of correctie nodig is, voorgaande overwegingen in acht zullen worden genomen.

3.3. Overige punten.

3.3.1. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat in de offerte van Loyalis geen rekening is gehouden met de thans op grond van de Zorgverzekeringswet verschuldigde premie noch met de mogelijke kosten van een uitruil van nabestaanden- en ouderdomspensioen. Zij meent dat het college hiervoor voorzieningen moet treffen. De Raad gaat hierin niet met appellante mee nu in de vaststellingsovereenkomst niets over deze aangelegenheden is opgenomen.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op een paar onderdelen de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Nu de rechtbank bij de aangevallen uitspraak dit besluit geheel in stand heeft gelaten, dienen deze uitspraak en dit besluit te worden vernietigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1288,-;

Bepaalt dat het college aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 255,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.