Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
10/5978 AOW + 10/5979 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening pensioenen. Appellanten kunnen niet langer worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend. Appellanten hebben geen tijdige en volledige mededeling gedaan aan de Svb. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet is voldaan aan de eis van ‘informed consent’. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/323 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5978 AOW

10/5979 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 24 september 2010, 09/1741 en 09/1742 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Osmic, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Appellanten zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen ieder een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm ongehuwde. Appellanten zijn sinds 1953 gehuwd, maar leefden sinds 1979 duurzaam gescheiden van elkaar.

1.2. Naar aanleiding van een onderzoek naar de rechtmatigheid van het aan appellante verstrekte pensioen heeft zij op 21 november 2008 een formulier ‘Onderzoek gezamenlijk huishouden’ ingevuld en geretourneerd aan de Svb. Op dit formulier heeft appellante aangegeven dat appellant op haar adres [adres 1] te [gemeente] woont en dat sprake is van wederzijdse zorg. De Svb heeft hierin aanleiding gezien om ook een nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van het aan appellant verstrekte pensioen. In het kader van deze onderzoeken heeft de Svb op 11 december 2008 een huisbezoek afgelegd op voornoemd adres. Tijdens het huisbezoek heeft appellant een verklaring afgelegd en is het formulier ‘Checklist’ namens appellant ingevuld en ondertekend. De bevindingen van de onderzoeken zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 12 december 2008.

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 19 januari 2009 heeft de Svb de aan appellanten verleende pensioenen vanaf 1 januari 2006 herzien naar de norm gehuwden.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 26 augustus 2009 heeft de Svb de bezwaren van appellanten gericht tegen de besluiten van 19 januari 2009 ongegrond verklaard. De Svb stelt zich hierbij op het standpunt dat vanaf januari 2006 niet langer sprake is van duurzaam gescheiden leven zodat appellanten recht hebben op een pensioen naar de norm voor gehuwden.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 26 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen deze uitspraken gekeerd, waarbij is aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatig huisbezoek en dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. De Raad verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 28 juni 2011, LJN BR0750.

4.2. Wat betreft het huisbezoek stelt de Raad onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064, dat van een redelijke grond voor een huisbezoek sprake is als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op pensioen en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van het pensioen. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de pensioenverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 11 december 2008 aanwezig was. Daarbij verwijst de Raad naar het door appellante op 21 november 2008 ingevulde formulier ‘Onderzoek gezamenlijk huishouden’. Appellante gaf op dit formulier aan dat appellant op haar adres woont en dat er sprake is van wederzijdse zorg. Deze informatie week af van de bij de Svb bekende informatie zodat een nader onderzoek gerechtvaardigd was.

4.4. De Raad is, anders dan de rechtbank, echter van oordeel dat niet is voldaan aan de eis van ‘informed consent’. Uit de rapportage die is opgemaakt naar aanleiding van het huisbezoek op 11 december 2008 blijkt immers niet expliciet dat appellant voorafgaand aan het binnentreden in de woning erop is gewezen dat hij niet gedwongen kan worden de medewerkers van de Svb binnen te laten en evenmin dat hem duidelijk is gemaakt dat het niet geven van toestemming gevolgen heeft voor de (verdere) verlening van zijn pensioen. Dat betekent dat ten aanzien van appellant sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Naar het oordeel van de Raad kan, in het licht van de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, echter niet worden gezegd dat het gebruik maken door de Svb van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De Raad ziet dus niet in dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling buiten beschouwing dienen te blijven.

4.5. Wat betreft de feitelijke grondslag onderschrijft de Raad volledig het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust dat appellanten vanaf 16 december 2005 niet langer kunnen worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend. In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad voegt hieraan toe dat hij met name geen aanleiding ziet op grond waarvan appellanten niet gehouden kunnen worden aan de door hen verstrekte informatie middels de ingevulde formulieren, noch aan de door appellant afgelegde verklaringen, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. Dit geldt temeer nu uit de gedingstukken blijkt dat appellanten in de contacten met de Svb worden bijgestaan door hun kinderen en appellant zijn verklaring heeft afgelegd in het bijzijn van zijn kleinzoon omdat, zoals hij stelt, zijn Nederlands niet zo goed was.

4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellanten vanaf 1 januari 2006 niet langer kunnen worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW. Appellanten hebben daarvan geen tijdige en volledige mededeling gedaan aan de Svb. Dit brengt mee dat de Svb, gelet op artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW, gehouden was de pensioenen van appellanten te herzien. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van herziening kon afzien, is de Raad niet gebleken.

4.7. In het door appellanten gedane beroep op het evenredigheidsbeginsel ziet de Raad geen aanleiding dat de Svb niet gehouden kan worden geacht tot herziening van de pensioenen over te gaan met ingang van 1 januari 2006.

4.8. Gelet op het voorgaande slagen de hoger beroepen van appellanten niet, zodat de aangevallen uitspraken, deels met verbetering van gronden, dienen te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor veroordelingen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD