Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10-2354 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig medische onderzoek. De FML is juist vastgesteld. De functies zijn in medisch geschikt. Voldoende opleidingsniveau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2354 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2010, 09/1302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellant en zijn gemachtigde mr. H. Yurdusen zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

Het onderzoek is geschorst ten einde het Uwv in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op de ter zitting overgelegde rapportages van bedrijfsarts R. Visser en psychologe A. Broeze en om informatie in te winnen bij behandelend psychiater F. Kaya.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011. Appellant en zijn gemachtigde mr. H. Yurdusen zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 16 januari 2009 heeft het Uwv deze uitkering per 16 maart 2009 beëindigd. Verzekeringsarts R. de Haas heeft op 28 mei 2008 de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid van appellant vastgesteld. Arbeidsdeskundige B.T.J. Röling heeft op 26 november 2008 het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heeft appellant in overleg met de verzekeringsarts geschikt geacht voor de functies kartonnagebewerker, productiemedewerker wasserij, elektronicamonteur en archiefmedewerker. Appellant beschikt volgens de arbeidsdeskundige over voldoende mogelijkheden om arbeid te verrichten en heeft een verlies aan verdienvermogen van minder dan 15%.

2.2. Tijdens de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans informatie opgevraagd bij de huisarts, appellant onderzocht en dossieronderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gezien om appellant minder beperkt te achten aan zijn linkerarm en heeft op 18 mei 2009 de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman heeft op 8 juli 2009 het CBBS geraadpleegd en heeft dezelfde functies als de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegd.

2.3. Bij besluit (bestreden besluit) van 10 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat dit besluit berust op een deugdelijke medische grondslag en dat het Uwv het arbeidsvermogen van appellant niet onjuist heeft ingeschat. De door appellant geclaimde verdergaande klachten zijn niet met medische stukken onderbouwd. Daarnaast hebben de (bezwaar)arbeidsdeskundigen naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellant, ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht de geduide functies te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 18 januari 2010 nader uiteengezet dat in de functies de belastbaarheid van appellants linkerarm- en pols niet wordt overschreden.

4.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in essentie herhaald. In de FML is onvoldoende rekening gehouden met zijn medische problematiek. Zijn linkerschouder en linkerpols zijn ten onrechte niet beperkt geacht. Daarnaast lijdt appellant al ruim 15 jaar aan psychische klachten. Zijn sociale beperkingen zijn minder zwaar ingeschat dan deze in werkelijkheid zijn. Appellant doet zijn best om zijn agressie te beheersen en het alcoholmisbruik te onderdrukken. Appellant is niet geschikt om de werkzaamheden die zijn verbonden aan de geduide functies te verrichten. Daarnaast heeft het Uwv ook ten onrechte geen rekening gehouden met zijn opleidingsniveau en zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal. Appellant herhaalt zijn verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen teneinde zijn belastbaarheid voor arbeid te onderzoeken.

4.2. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant tijdens de zitting van 6 april 2011 een psychodiagnostisch onderzoek van psycholoog Broeze en een medisch belastbaarheidsonderzoek van bedrijfsarts Visser overgelegd. Deze zijn op 17 december 2010 door de Gemeente Apeldoorn Dienst Samenleving aangevraagd.

4.3. Psychiater Kaya heeft bij brief van 13 juni 2011 informatie verstrekt.

4.4. Bezwaarverzekeringsarts A. Colijn heeft bij rapportages van 10 mei 2011 en

23 juni 2011 een reactie gegeven op de in overweging 4.2 en 4.3 aangegeven rapportages. Ten aanzien van de lichamelijke klachten conformeert de bedrijfsarts zich volgens de bezwaarverzekeringsarts aan de FML. Ten aanzien van de psychische klachten verwijst deze naar de rapportage van de psycholoog. De psycholoog heeft opgemerkt dat het een momentopname betreft. Ten aanzien van deze rapportage en de opgevraagde informatie bij psychiater Kaya stelt de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt dat de informatie geen betrekking heeft op de datum in geding, 16 maart 2009.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

5.3. In overeenstemming met de informatie van de orthopedisch chirurg hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellant bewegingsbeperkingen van de linkerarm heeft, maar dat appellant niet functioneel éénarmig is. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de FML rekening gehouden met de verminderde belastbaarheid van de linkerarm door beperkingen op te nemen in de rubrieken 3 en 4. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij de informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg betrokken. De overgelegde rapportage van bedrijfsarts Visser kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze onderschrijft de FML.

5.4. In verband met van de geclaimde psychische en psychosociale klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant onderzocht en heeft deze de informatie van de huisarts bij zijn beoordeling betrokken. Bij onderzoek op 7 mei 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts evenals de verzekeringsarts op 28 mei 2008 geen evidente psychopathologie kunnen vaststellen. Gezien de psychiatrische voorgeschiedenis van appellant blijft appellant volgens de bezwaar)verzekeringsarts aangewezen op niet te stresserend en vooral niet te conflicterend werk en zijn op de FML beperkingen vastgesteld in de rubrieken 1 en 2. De Raad is van oordeel dat er geen medische gegevens zijn die aanleiding geven voor het oordeel dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant op de datum in geding. Uit de brief van het Centrum voor geestelijke gezondheid Spatie van D. Bröring van 28 november 2005, blijkt dat de behandeling is gestopt omdat de klachten zijn verminderd. Uit het aanvullende bezwaarschrift van 24 maart 2009 blijkt dat de behandeling door GGNet in april 2008 is gestopt. Andere gegevens over een behandeling dan de brief van 13 juni 2011 van psychiater Kaya zijn niet overgelegd. Ook de rapportage van psycholoog Broeze kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven ziet deze rapportage op een momentopname na de datum in geding. Daarnaast is deze rapportage in opdracht van de gemeente opgesteld ter uitvoering van de Wet Werk en Bijstand en kent deze wet een ander beoordelingskader dan de WAO.

5.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is het medische onderzoek verricht door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat deze de beperkingen van appellant hebben onderschat. De Raad is dan ook van oordeel dat uitgegaan moet worden van de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid zoals deze zijn vastgesteld in de FML en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

5.6. Ten aanzien van de medische geschiktheid van de functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen die tot mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid kunnen leiden toegelicht. De arbeidsdeskundige heeft voorts toegelicht dat deze functies met de dominante arm kunnen worden uitgevoerd. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de functies medisch geschikt zijn te achten.

5.7. De grieven ten aanzien van het opleidingsniveau en de beheersing van de Nederlandse taal kunnen naar het oordeel van de Raad ook niet slagen. Bij de functieselectie is uitgegaan van functie- en opleidingsniveau 2. Het betreft eenvoudige functies waarbij geen vereisten worden gesteld ten aanzien van lezen of schrijven. Appellant woont sinds 1989 in Nederland en heeft verschillende jaren in Nederland deelgenomen aan het arbeidsproces. Op grond van artikel 9 van het Schattingsbesluit wordt een verzekerde geacht te beschikken over een basale beheersing van de Nederlandse taal. Onder deze bekwaamheid wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing (verstaan en spreken). De Raad is van oordeel dat de volgens appellant slechte beheersing van de Nederlandse taal de geschiktheid van de geduide functies niet in de weg kan staan. Appellant heeft in Turkije basisonderwijs gevolgd, middelbaar onderwijs en een vakopleiding elektro van een jaar. De Raad is van oordeel dat de geduide functies ook qua opleidingsniveau geschikt zijn te achten.

5.8. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.7 van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) K.E. Haan.

IvR