Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
10-2210 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een nabestaandenuitkering toe te kennen. De echtgenoot van appellante was op 9 januari 2008 niet verzekerd krachtens de ANW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2210 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2010, 09/1659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Bakker.

Ter zitting zijn door de Svb enkele aan appellante gerichte besluiten overgelegd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante woont in [woonplaats] en is gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot], geboren in 1937. Aan de echtgenoot van appellante is na zijn overlijden een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend. Op 9 januari 2008 is hij in [woonplaats] overleden. In september 2008 heeft appellante aan de Svb verzocht om haar een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen.

1.2. Bij het bestreden besluit van 26 maart 2009 heeft de Svb zijn besluit van 8 oktober 2008 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd was voor de ANW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat haar echtgenoot nooit geweten heeft dat hij in Nederland niet verzekerd was en dat niet vaststaat dat de echtgenoot van appellante niet verzekerd was op grond van Marokkaanse regelingen. De Svb had hier nader onderzoek naar moeten doen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de ANW.

4.3. Ingevolge artikel 13 van de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in [woonplaats] woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd krachtens de ANW.

4.4. Voorts is niet gebleken dat de echtgenoot van appellante zich vrijwillig verzekerd had ingevolge onder meer de ANW. Uit het overgelegde besluit van 2 oktober 2009 inzake de AOW blijkt dat de echtgenoot van appellante verzekerd was ingevolge de AOW vanaf 23 november 1965 tot 7 april 1977. Appellantes bezwaar tegen dit besluit is bij besluit op bezwaar van 14 januari 2010 ongegrond verklaard. Hieruit volgt dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn verblijf in Nederland verzekerd was ingevolge de ANW. Voorts blijkt hier uit dat hij na 7 april 1977 niet verzekerd was ingevolge de AOW en dus ook niet verzekerd was ingevolge de ANW. Voor verplichte verzekering op grond van de ANW gelden immers dezelfde criteria als voor de AOW en de vrijwillige verzekering ingevolge de ANW was tot 2001 niet mogelijk zonder vrijwillige verzekering voor de AOW. Het is voorts niet mogelijk om een vrijwillige verzekering ingevolge de ANW te sluiten anders dan aansluitend aan een periode van verplichte verzekering. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op 9 januari 2008 niet verzekerd was krachtens de ANW, zodat appellante geen aanspraak kan maken op een nabestaandenuitkering ingevolge die wet.

4.5. Tot slot is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn die wijzen op het verzekerd zijn krachtens de Marokkaanse wetgeving van de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden, zodat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk [woonplaats] geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan. Appellante heeft, met medewerking van de Caisse Nationale de Securite Social (CNSS), op het aanvraagformulier vermeld dat haar echtgenoot buiten Nederland niet heeft gewerkt, noch verzekerd is geweest op grond van een sociale verzekeringsregeling. Gezien deze mede door de CNSS verstrekte informatie en in het licht van het feit dat appellante geen begin van bewijs heeft geleverd van de stelling dat haar echtgenoot verzekerd zou kunnen zijn geweest ingevolge de Marokkaanse wetgeving, heeft de Svb hier terecht geen nader onderzoek naar ingesteld.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) N.S.A. El Hana.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IvR

III. DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),

statue:

confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de N.S.A. El Hana en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 21 octobre 2011

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.