Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
10-6219 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellant - met ingang van het moment waarop hij zijn scootmobiel heeft ingeleverd - in aanmerking komt voor een pgb ter hoogte van de tegenwaarde daarvan. De Raad is voorts van oordeel dat niet valt in te zien dat appellant de besteding van het pgb dient te beperken tot uitsluitend de geïndiceerde voorziening en dat hij dit budget niet zou kunnen aanwenden ten behoeve van de aanschaf van een gesloten buitenwagen. Ter toelichting op de in artikel 6 van de Wmo besloten liggende keuzevrijheid heeft de wetgever immers aangegeven dat een persoonsgebonden budget een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder te besteden is voor een vooraf bepaald doel of activiteit (TK 2004–2005, 30 131, nr. 3, p. 32). De Raad kan in zoverre de stelling van het College dat hiermee de voor een gesloten buitenwagen gestelde inkomensgrens zou worden omzeild niet volgen. Voor de scootmobiel is immers geen inkomensgrens gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/362
JWWB 2011/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6219 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 oktober 2010, 09/479 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Gerritsen, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Namens appellant is verschenen mr. Gerritsen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.J. Timmer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren in 1931, heeft ziekten van het ademhalingsstelsel, van het hart- en vaatstelsel en van het botspierstelsel. Appellant ondervindt als gevolg hiervan onder meer beperkingen bij het verplaatsen buiten de woning.

1.3. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het College - onder de Wet voorzieningen gehandicapten - geweigerd aan appellant een brommobiel te verstrekken. Daarbij is aangegeven dat appellant gebruik kan maken van het collectief vervoer en is aan hem een scootmobiel verstrekt.

1.4. Bij aanvraagformulier van 20 februari 2008 heeft appellant het College verzocht om hem in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen toe te kennen.

1.5. Op 25 maart 2008 heeft M. Lansink, indicatie-adviseur bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ), een huisbezoek bij appellant afgelegd. Op 21 mei 2008 heeft Lansink, na overleg met A.G. Boekema, medisch adviseur bij het CIZ, aan het College een advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat er geen medische indicatie is voor een gesloten buitenwagen. De combinatie van collectief aanvullend vervoer en een scootmobiel levert medisch gezien een adequate vervoersvoorziening op.

1.6. Bij besluit van 5 juni 2008 heeft het College de aanvraag voor een gesloten buitenwagen afgewezen op de grond dat er geen medische noodzaak bestaat voor de gevraagde voorziening.

1.7. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juni 2008 heeft B.L.J. van der Horst, indicatiesteller bij het CIZ, op 25 november 2008 een huisbezoek bij appellant afgelegd. Op 9 december 2008 heeft Van der Horst een aanvullend advies uitgebracht. Daarin is, na raadpleging van A.R. Zielhuis, medisch adviseur bij het CIZ, de conclusie gehandhaafd dat er geen medische indicatie bestaat voor een gesloten buitenwagen. Verder is aangegeven dat appellant geacht wordt gebruik te kunnen maken van een scootmobiel. Appellant kan geen gebruik maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Vanwege de hoogte van het gezamenlijke inkomen van appellant en zijn partner is het ook niet mogelijk hem in aanmerking te brengen voor een financiële tegemoetkoming in de taxikosten.

1.8. Bij besluit van 2 april 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juni 2008, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 25 maart 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het College ten onrechte niet is nagegaan hoe de vervoersmogelijkheden van appellant zich verhouden tot zijn wensen, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om het besluit op bezwaar wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te vernietigen, omdat de weigering mede is gebaseerd op het feit dat het inkomen van appellant en zijn partner hoger is dan de voor een gesloten buitenwagen gestelde inkomensgrens. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in de Wmo geen beletselen gelegen om bij de gemeentelijke verordening een of meer inkomensgrenzen te stellen. Appellant moet met een inkomen boven de gestelde grenzen geacht worden zelf te kunnen voorzien in de kosten van vervoer in zijn directe leefomgeving.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat het door het College verrichte onderzoek onzorgvuldig was, had moeten leiden tot een vernietiging van het besluit op bezwaar. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek mede onzorgvuldig was, omdat het College geen betekenis heeft toegekend aan het gegeven dat appellant voor het vervoer over korte afstanden is aangewezen op een scootmobiel, maar daarvan geen gebruik wenst te maken. Ook is geen rekening gehouden met het feit dat appellant zich als mantelzorger samen met zijn rolstoelgebonden partner moet kunnen verplaatsen. Ten slotte heeft appellant gesteld dat het College hem had moeten wijzen op de mogelijkheid van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) in plaats van een scootmobiel. Dat de gemeentelijke verordening de toekenning van een pgb beperkt tot hulp bij het huishouden is in strijd met de in artikel 6 van de Wmo verankerde keuzevrijheid. Met een pgb kan appellant zelf een oplossing voor zijn vervoersprobleem zoeken, waarbij niet valt in te zien dat het pgb uitsluitend mag worden besteed aan de geïndiceerde voorziening.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

4.1.1. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.1.3. Artikel 6 van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.1.4. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo heeft de raad van de gemeente Enschede uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Enschede (hierna: Verordening).

4.1.5. In artikel 2.1 van de Verordening is bepaald dat een individuele voorziening kan worden verstrekt in natura, als financiële tegemoetkoming en als pgb. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een pgb niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit neergelegde criteria.

4.1.6. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt een pgb alleen verstrekt ten aanzien van hulp bij het huishouden.

4.1.7. Blijkens artikel 5.1 van de Verordening kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

b. een financiële tegemoetkoming bestaande uit een forfaitair bedrag, in de kosten van het overig vervoer buiten de gemeentegrenzen;

c. een voorziening in natura in de vorm van:

1. een al dan niet aangepaste elektrische auto;

2. een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;

3. een open elektrische buitenwagen (een scootmobiel uitsluitend bedoeld voor vervoer buitenshuis);

4. een ander verplaatsingsmiddel.

d. een tegemoetkoming in de kosten van:

1. aanpassing van een eigen auto;

2. gebruik van een in natura verstrekte auto;

3. gebruik van een taxi of een eigen auto, waarbij het college zowel toekenning als hoogte afhankelijk kan stellen van de leeftijd van de persoon;

4. gebruik van een rolstoeltaxi, waarbij het college zowel toekenning als hoogte afhankelijk kan stellen van de leeftijd van de gehandicapte;

5. aanpassing aan een ander verplaatsingsmiddel;

6. noodzakelijke begeleiding bij vervoer;

7. gebruik van een in natura verstrekte gesloten buitenwagen.

4.1.8. Op grond van artikel 5.3, derde lid, van de Verordening kan een persoon bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, van de Wmo voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 5.1, onder c1, c2, d1 tot en met d4, d6 en d7, van de Verordening in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, van de Verordening onmogelijk maken.

4.1.9. Ingevolge artikel 5.4 worden de vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 5.1, onder b, c1, c2, d2 tot en met d4, d6 en d7 algemeen gebruikelijk geacht en komen zij niet voor verstrekking of vergoeding in aanmerking, indien het inkomen zoals bedoeld in artikel 1.1, onder r, van de Verordening - het gezamenlijke bruto-inkomen - meer bedraagt dan anderhalf maal het in het Besluit voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen.

Beoordeling

5.1. De Raad stelt vast dat appellant niet betwist dat er geen medische indicatie is voor een gesloten buitenwagen. Evenmin betwist appellant het standpunt dat het gezamenlijk inkomen van hem en zijn partner boven de voor een gesloten buitenwagen gestelde inkomensgrens ligt.

5.2. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG6612, onder rechtsoverweging 4.2.4, heeft geoordeeld vloeit uit artikel 3:2 van de Awb voort dat het College, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het College is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren.

5.3 De Raad stelt vast dat het College het onderzoek ter voorbereiding van de besluiten van 5 juni 2009 en 2 april 2009 heeft beperkt tot de vraag of er op medische en financiële gronden aanleiding bestaat appellant in aanmerking te brengen voor een gesloten buitenwagen. Het onderzoek is niet gericht geweest op de vervoersbehoeften van appellant. Het College heeft voorts ten onrechte geen betekenis toegekend aan het gegeven dat appellant voor het vervoer op de korte afstand wordt geacht te zijn aangewezen op een scootmobiel, waarvan hij - gelet op het verhandelde tijdens het tweede huisbezoek op 25 november 2008 - vanwege een gevoel van onveiligheid geen gebruik meer wenst te maken.

5.4. De Raad stelt voorts vast dat het College aan appellant ook geen keuzemogelijkheid heeft voorgehouden te opteren voor een pgb in plaats van een scootmobiel. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening was ten tijde in geding de mogelijkheid voor een pgb in plaats van een scootmobiel ook uitgesloten. Zoals het College ook heeft onderkend is deze verordeningsbepaling in strijd met artikel 6 van de Wmo en inmiddels aangepast. Dat appellant eerst in hoger beroep zijn aanvraag voor een vervoersvoorziening heeft toegespitst op een pgb bestaande uit de tegenwaarde van de scootmobiel, kan hem, anders dan door het College ter zitting gesteld, in de gegeven omstandigheden niet worden tegengeworpen.

5.5. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen volgt dat het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2009 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren. Gelet op hetgeen in de loop van de procedure naar voren is gekomen ziet de Raad voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellant - met ingang van het moment waarop hij zijn scootmobiel heeft ingeleverd - in aanmerking komt voor een pgb ter hoogte van de tegenwaarde daarvan. Onder verwijzing naar zijn hiervoor onder 5.2 genoemde uitspraak is de Raad voorts van oordeel dat niet valt in te zien dat appellant de besteding van het pgb dient te beperken tot uitsluitend de geïndiceerde voorziening en dat hij dit budget niet zou kunnen aanwenden ten behoeve van de aanschaf van een gesloten buitenwagen. Ter toelichting op de in artikel 6 van de Wmo besloten liggende keuzevrijheid heeft de wetgever immers aangegeven dat een persoonsgebonden budget een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder te besteden is voor een vooraf bepaald doel of activiteit (TK 2004–2005, 30 131, nr. 3, p. 32). De Raad kan in zoverre de stelling van het College dat hiermee de voor een gesloten buitenwagen gestelde inkomensgrens zou worden omzeild niet volgen. Voor de scootmobiel is immers geen inkomensgrens gesteld.

6. De Raad ziet aanleiding het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.236,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 april 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 april 2009;

Voorziet zelf in de zaak als overwogen onder 5.5;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.236,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L.G. Boot.

KR