Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
10-964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet kan worden afgeleid dat sprake is van een toename van de medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt dat op zorgvuldige wijze is bezien of sprake is van een toename van geobjectiveerde beperkingen en dat er geen reden is te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/964 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 januari 2010, 08/2088 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij een brief van appellantes behandelend psychiater van 8 maart 2010 overgelegd. Voorts heeft zij een brief van haar huisarts van 16 april 2010 en een brief van een orthopedisch chirurg van 11 juli 2007 overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en enkele rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 22 maart 2010, 25 mei 2010 en 21 juni 2010 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 23 juni 1998 uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster voor 25 uur per week. Het Uwv heeft appellante met ingang van 22 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze arbeidsongeschiktheid vindt zijn oorzaak in psychische klachten en voetklachten. Bij besluit van 20 augustus 2004 is de uitkering met ingang van 23 augustus 2004 ingetrokken omdat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juni 2004, doch het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% was. De FML van 10 juni 2004 is, blijkens het rapport van de verzekeringsarts van 10 juni 2004 en van de bezwaarverzekeringsarts van

18 november 2004, gebaseerd op een depressie in remissie, voetklachten rechts en hypothyreoidie.

1.2. Na bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Raad in zijn uitspraak van 22 juni 2007 geoordeeld dat in de FML van 10 juni 2004 in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellante.

1.3. Appellante heeft zich per 15 november 2007, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld vanwege psychische klachten, vermoeidheid en pijnklachten aan de voet. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het UWV geweigerd appellante per 13 december 2007 met toepassing van artikel 43a van de WAO een uitkering toe te kennen. De verzekeringsarts is van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van appellantes medische situatie.

1.4. Namens appellante is tegen het besluit van 15 november 2007 bezwaar gemaakt, waarbij is gesteld dat de psychische klachten en de voetklachten zijn toegenomen en dat zij niet inzetbaar is op de arbeidsmarkt.

1.5. Bij besluit van 26 november 2008 (verder: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat lichamelijke en psychische klachten per 15 november 2007 dermate verslechterd zijn dat zij volledig arbeidsongeschikt is dan wel meer dan 15% arbeidsongeschikt is. Haar medische klachten zijn niet op de juiste waarde geschat. Zij staat nog immer onder behandeling van de afdeling orthopedie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht en van psychiater C. de Schinkel te [woonplaats].

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Toekenning van een uitkering ingevolge de WAO na een verkorte wachttijd kan plaatsvinden met toepassing van artikel 43a van de WAO. Ingevolge artikel 43a, eerste lid van de WAO, voor zover hier van belang, kan toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet plaatsvinden, indien degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken en zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2. Noodzakelijk is dus dat sprake is van een toename van de medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen. Voldoende is mitsdien niet dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten beperkingen heeft tot het verrichten van arbeid. Vereist is dat op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de beperkingen zoals die zijn neergelegd in de FML van 10 juni 2004, zijn toegenomen.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante psychische, voet- en hypothyreoidie-klachten had die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten aanleiding gaven tot beperkingen om arbeid te verrichten en dat ook bij de thans in geding zijnde beoordeling deze beperkingen nog bestaan. Partijen verschillen van opvatting over het antwoord op de vraag of op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de beperkingen als gevolg van deze klachten zijn toegenomen.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet kan worden afgeleid dat sprake is van een toename als bedoeld in 4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt dat op zorgvuldige wijze is bezien of sprake is van een toename van geobjectiveerde beperkingen en dat er geen reden is te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. De verzekeringarts heeft dossierstudie verricht en appellante op 31 januari 2008 op het spreekuur gezien en is op grond daarvan, in een rapport van 31 januari 2008, tot de conclusie gekomen dat er geen wijziging in de medische situatie is.

De bezwaarverzekeringsarts gaat in het rapport van 18 november 2008, eveneens als in 2004, uit van voetklachten rechts - thans is vastgesteld dat sprake is van artrose - en van hypothyreoidie die adequaat medicamenteus is ingesteld. Tevens wordt vastgesteld dat thans sprake is van diabetes mellitus type II. Het feit dat appellante medicamenteus wordt behandeld voor diabetes mellitus type II zorgt niet voor meer beperkingen. Met betrekking tot de psychische klachten is de diagnose thans aanpassingsstoornis, met depressieve en angstige kenmerken. Er kan, net als in 2004, geen evidente depressieve stoornis worden vastgesteld. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts is dat de beperkingen ten opzichte van de beperkingen weergegeven in de FML van 10 juni 2004 niet zijn toegenomen.

4.5. Appellante heeft in hoger beroep een brief overgelegd van haar behandelend psychiater van 8 maart 2010 waarin deze tot de diagnose stemmingsstoornis NAO, chronisch verloop met atypische kenmerken, en ontwijkende, afhankelijke en psychastene persoonlijkheidskenmerken komt. Appellante beschikt structureel over geringe draagkracht en stressbestendigheid, aldus de behandelend psychiater. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts in het aanvullend rapport van 22 maart 2010 van oordeel dat de brief niet ziet op de datum in geding en dat overigens de medische gegevens die vermeld worden naast de diagnose, reeds bekend waren en door de bezwaarverzekeringsarts zijn meegewogen in de rapportage van 18 november 2008. In het bijzonder zijn de geringe draagkracht en stressbestendigheid meegewogen.

4.6. Voorts heeft appellante in hoger beroep een brief overgelegd van haar huisarts met daarin gegevens uit haar dossier. Als “actief probleem” wordt daar vermeld hypothyreoidie vanaf 2006 en diabetes mellitus vanaf 2004. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 25 mei 2010 van oordeel dat deze klachten reeds bekend waren en voldoende zijn meegewogen in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2008. Daarbij overweegt de Raad nog dat de diabetes niet ten grondslag heeft gelegen aan de eerdere arbeidsongeschiktheid zodat niet gesteld kan worden dat bij beperkingen als gevolg van diabetes sprake is van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit de dezelfde oorzaak.

4.7. Tot slot heeft appellante een brief overgelegd van de behandelend orthopedisch chirurg van 11 juli 2007. Daarin wordt geconstateerd dat sprake is van artrose MTP 2-gewricht. Het advies is om een schoen te dragen met een zoolverstijving en afwikkelbalk. Ook voor deze informatie geldt dat deze bekend was en is meegewogen in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2008, zoals de bezwaarverzekeringsarts terecht schrijft in het rapport van 21 juni 2010.

4.8. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) M.R. van der Vos.

GdJ