Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
10-5688 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit tot intrekking WAO-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant is zijn hele leven al bekend met FMF (familiaire middellandsezeekoorts).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5688 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2010, 09/448 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.S. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 18 september 2008 geweigerd terug te komen van zijn besluit van 12 februari 1985 tot intrekking per 1 maart 1985 van de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 18 september 2008 bezwaar gemaakt en het Uwv heeft bij besluit van 15 januari 2009 (het bestreden besluit) dat bezwaar onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen medische reden is om terug te komen op het besluit van 12 februari 1985, omdat er geen sprake is van nieuwe medische feiten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat de medische informatie uit 1985 die hij heeft overgelegd bij zijn verzoek van 29 mei 2008 om herziening van het besluit van

12 februari 1985, waarbij de diagnose familiaire middellandsezeekoorts (FMF) is gesteld, aantoont dat deze diagnose is gesteld nadat de beroepstermijn tegen het besluit van

12 februari 1985 was verstreken. De diagnose zelf is van belang omdat de klachten van appellant tot dan toe zijn gebagatelliseerd en de beperkingen daardoor niet realistisch zijn ingeschat. In de bij het verzoek om herziening ingediende medische informatie komen de gestelde diagnose alsmede de gevolgen daarvan duidelijk naar voren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Het Uwv heeft bij besluit van 12 februari 1985 de eerder aan appellant toegekende uitkering op grond van de WAO met ingang van 1 maart 1985 ingetrokken. Appellant heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat het in rechte is komen vaststaan.

4.3. In zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 12 februari 1985 heeft appellant als nieuw feit genoemd dat de internist Donker op 30 mei 1985 de diagnose FMF heeft gesteld. Dit is in zoverre een nieuw gegeven, dat, omdat het dossier uit 1985 er niet meer is, niet met zekerheid kan worden vastgesteld of die diagnose ten tijde van het besluit van 12 februari 1985 al bekend was. Ook al was dat niet het geval, dan staat daarmee nog niet vast dat de eerder door het Uwv aangenomen beperkingen ten aanzien van appellant in een ander licht moeten worden geplaatst, laat staan dat deze onjuist zouden zijn vastgesteld. Voor het vaststellen van beperkingen is de aanwezigheid van een diagnose immers niet noodzakelijk, omdat voor de toepassing van de WAO van belang is welke medische beperkingen er voor een betrokkene voortvloeien uit een ziekte of gebrek. Daarbij komt aan de diagnose een ondergeschikte betekenis toe.

4.4. Appellant heeft met betrekking tot zijn beperkingen per 1 maart 1985 geen nieuwe gegevens ingebracht. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft volgens zijn rapportage van 14 januari 2009 geen nieuwe medische feiten aanwezig geacht. Volgens die rapportage is appellant zijn hele leven al bekend met FMF.

4.5. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 12 februari 1985 af te wijzen. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) B.M. van Dun

(get.) H.L. Schoor.

NW