Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
09-6905 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor vergoeding van het niet vergoede deel van de kosten van de hoorstellen. Appellante heeft met haar werkzaamheden als co-assistent niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking gestaan, zodat zij niet voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA neergelegde eis dat sprake moet zijn van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking en derhalve geen aanspraak kan maken op een arbeidsplaatsvoorziening.

Wetsverwijzingen
Reïntegratiebesluit 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/359
USZ 2011/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6905 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 november 2009, 09/440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante studeerde ten tijde in geding geneeskunde. De laatste jaren van deze opleiding bestaan uit verschillende stages als co-assistent, zogenoemde coassistentschappen of co-schappen. In verband met haar auditieve beperking heeft appellante ten behoeve van haar werkzaamheden als co-assistent nieuwe hoortoestellen aangeschaft. De kosten van deze hoorstellen zijn door de zorgverzekeraar gedeeltelijk vergoed. Appellante heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van het niet vergoede deel van de kosten van de hoorstellen tot een bedrag van € 2.644,--.

1.2. Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na een bezwaar- en een beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 1 april 2009 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari 2008 wederom ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder meer beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor een arbeidsplaatsvoorziening als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), nu de arbeidsverhouding van de co-assistent niet is aan te merken als een dienstbetrekking.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht het lopen van co-schappen niet aangemerkt als een dienstbetrekking in de zin van artikel 35 van de Wet WIA. Voor een ruimere interpretatie van de term dienstbetrekking, zodat ook het lopen van co-schappen hieronder valt, ziet de rechtbank geen ruimte.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar bij de rechtbank ingenomen standpunt gehandhaafd dat sprake is van hoortoestellen die vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie en daarom voor vergoeding in aanmerking dienen te komen op grond van artikel 35 van de Wet WIA en artikel 2 van het Reïntegratiebesluit.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wettelijk kader

In artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA - voor zover van belang - is bepaald dat het Uwv aan een persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is de werknemer in de zin van de Wet WIA gelijkgesteld aan de werknemer in de zin van de Ziektewet (ZW).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ZW is de werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het op artikel 35, vierde lid (oud), van de Wet WIA gebaseerde Reïntegratiebesluit (Stb. 2005, 622) kan een voorziening op grond van artikel 35 van de Wet WIA worden verleend, indien deze dient ter vergoeding van kosten waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie.

4.2. De Wet WIA definieert niet wat onder het begrip dienstbetrekking moet worden verstaan. De Wet WIA sluit voor dit begrip aan bij de ZW. Gelet hierop moet onder het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA worden verstaan het verrichten van werkzaamheden in een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de ZW. Voor aanspraak van appellante op een arbeidsplaatsvoorziening in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, dan ook vereist dat zij met het verrichten van haar werkzaamheden als co-assistent in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in het geval van appellante daarvan geen sprake is (geweest), reeds omdat appellante voor haar werkzaamheden als co-assistent geen loon ontving.

4.3. De Raad begrijpt het standpunt van appellante in hoger beroep aldus dat de aan artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA te ontlenen aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening niet alleen betreft het verrichten van werkzaamheden in dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de ZW, maar dat ook aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening bestaat in geval er sprake is van een werksituatie zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit. In dat verband heeft appellante erop gewezen dat zij met het verrichten van haar werkzaamheden gedurende de co-schappen zich bevond in een werksituatie. Het enige verschil in haar (werk)situatie met die van dienstbetrekking is dat zij geen loon ontving.

4.4. Voor zover appellante heeft betoogd dat in het Reïntegratiebesluit grond kan worden gevonden om - met voorbijzien aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA neergelegde eis - de doelgroep van artikel 35 van de Wet WIA uit te breiden met personen die niet in dienstbetrekking staan, mist dat betoog doel. De tekst noch de Nota van toelichting van het Reïntegratiebesluit bevat enig aanknopingspunt dat beoogd is met het Reïntegratiebesluit het begrip dienstbetrekking ruimer op te vatten dan bedoeld is in de Wet WIA. Dat in artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit wordt gesproken van een werksituatie - wat daar verder van zij - kan niet afdoen aan het in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA dwingend voorgeschreven vereiste van arbeid in dienstbetrekking.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellante met haar werkzaamheden als co-assistent niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, zodat zij niet voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA neergelegde eis dat sprake moet zijn van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking en derhalve geen aanspraak kan maken op een arbeidsplaatsvoorziening. Het verzoek van appellante om vergoeding van hoortoestellen is door het Uwv terecht afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

EK