Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
10-5841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 september 2010, 10/440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1998 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 27 maart 2009 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft informatie ontvangen van de behandelend GZ-psycholoog Te Brömmelstroet en een expertiserapport van orthopeed Plasmans. De verzekeringsarts heeft de beperkingen weergegeven op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts acht appellant onder meer beperkt voor werkdruk, jaagwerk en het hanteren van conflicten. Tevens acht de verzekeringsarts hem beperkt voor het uiten van gevoelens en daardoor ook voor samenwerken. De arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op ruim 63%. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het Uwv de uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht. Appellant heeft in bezwaar informatie overgelegd van de behandelend klinisch psycholoog/psychotherapeut Verboom, behandelend fysiotherapeut Zagers en van de radioloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze informatie in zijn onderzoek betrokken en geconcludeerd dat er geen aanleiding is de FML onjuist te achten. Bij besluit van 24 december 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Het medisch onderzoek acht de rechtbank voldoende inzichtelijk en toereikend. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen anders had moeten vaststellen. De rechtbank acht het onderzoek naar de beperkingen toereikend. Overwogen is dat appellant geen objectieve medische gegevens heeft ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de beperkingen. Het had op de weg van appellant gelegen informatie van de - door appellant op de zitting van de rechtbank aangehaalde - behandelend psychiater in te brengen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant de voorgehouden functies niet kan verrichten.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Appellant acht zich beperkt voor sjorren en duwen van zwaardere objecten en meer beperkt voor lopen. Deze (verdergaande) beperkingen volgen uit het rapport van Plasmans en de informatie van de fysiotherapeut. Appellant meent dat tevens een beperking moet worden gesteld in verband met werken in koud weer. Algemeen bekend is dat bij koud weer klachten ontstaan op plekken van zwaardere fracturen. Voorts is betoogd dat verdergaande psychische beperkingen moeten worden aangenomen. Volgens appellant heeft de behandelend psychiater gezegd dat productiewerk verkeerd is in verband met de hoge werkdruk. Appellant meent dat een beperking moet worden aangenomen voor samenwerken, aangezien hij niet met anderen in één ruimte kan werken en beperkt is in de omgang met mensen. Hij wijst op de toelichting van Verboom dat appellant een kort lontje heeft en lijdt aan een stoornis van de impulsbeheersing.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen dat ook naar zijn oordeel de medische grondslag op een zorgvuldig onderzoek berust.

4.2. De conclusies van de bezwaarverzekeringsarts zijn gebaseerd op de eigen onderzoeksbevindingen en de aanwezige medische informatie. Ten aanzien van de belastbaarheid voor staan ziet de bezwaarverzekeringsarts geen reden verdergaande beperkingen aan te nemen. Bij de orthopedische expertise of het röntgenonderzoek zijn in de linkerknie of -enkel geen afwijkingen gevonden. In de genoemde medische informatie ziet de bezwaarverzekeringsarts geen reden (meer) beperkingen aan te nemen voor duwen en trekken, lopen of werken in een koude omgeving. Anders dan appellant ziet de Raad in het rapport van Plasmans geen reden aan de juistheid van de betreffende beperkingen te twijfelen. Het rapport van Plasmans is opgesteld in opdracht van de medisch adviseur van een particuliere verzekeringsmaatschappij, teneinde de late gevolgen van een verkeersongeval van 23 januari 2004 in kaart te brengen. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de in het rapport weergegeven medische informatie en de conclusies van Plasmans. De bezwaarverzekeringsarts was niet gehouden deze conclusies zonder meer over te nemen in de FML dan wel zijn rapportage.

4.3. Wat betreft de psychische beperkingen overweegt de Raad dat de informatie van Te Brömmelstroet en Verboom door de (bezwaar)verzekeringsarts in de overwegingen zijn betrokken. Op de FML zijn meerdere psychische beperkingen aangenomen. De informatie van Te Brömmelstroet bevat een verslag van (partner-)therapie. De informatie van Verboom, waarin inzicht wordt gegeven in de psychische problematiek van appellant, is vermeld dat sprake is van impulsbeheersings- en partner relatie/systeemproblemen en dat hij als behandelaar geen uitspraken kan doen over de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de Raad kan uit die informatie niet worden afgeleid dat de psychische beperkingen door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderschat, nu beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het sociaal functioneren.

4.4. De enkele stelling van appellant dat de behandelend psychiater een andere visie ten aanzien van het verrichten van productiewerk met een hoge werkdruk zou hebben, kan niet leiden tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het op de weg van appellant ligt informatie van de psychiater over te leggen. Daarbij is van belang dat in de FML is opgenomen dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken alsmede op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is en appellant ook in hoger beroep geen informatie van de behandelend psychiater heeft overlegd.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten. De geschiktheid van appellant voor de functies is door de arbeidsdeskundige voldoende toegelicht. Niet gebleken is dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) N.S.A. El Hana

CVG