Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
10-6471 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Besluit vernietigd door de rechtbank. Hoger beroep van het Uwv slaagt. Voor het bestaan van een ernstige psychiatrische stoornis in oktober 1991 bevindt zich onder de gedingstukken geen enkel medisch objectief stuk dat daar op wijst. Ook in het door betrokkene bij de rechtbank overgelegde psychiatrische rapport ontbreekt een medisch objectiveerbare onderbouwing voor het standpunt dat betrokkene in oktober 1991 op psychische gronden ernstiger beperkt is dan door het Uwv was vastgesteld. De passendheid van de geduide functies in medisch opzicht is voldoende toegelicht. De rechtbank heeft de aanvang van de redelijke termijn niet juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6471 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010, 08/2160 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende in Marokko (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman. Namens betrokkene is verschenen mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.1. Bij besluit van 28 juni 2004 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld geen beslissing te nemen op zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat betrokkene niet meewerkt aan het benodigde onderzoek. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 december 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 augustus 2006, 05/199, heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Appellant heeft op 17 oktober 2006 het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep ingetrokken.

1.2. Bij besluit van 27 december 2007 heeft appellant geweigerd betrokkene op en na 16 oktober 1991 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Tevens heeft appellant bij het bestreden besluit aan betrokkene een vergoeding toegekend van € 1.560,-- voor geleden schade als gevolg van trage besluitvorming vanaf 17 oktober 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene zal beslissen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

2.1. Met verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 12 maart 1993, LJN ZB1831, heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene door middel van overlegging van een ‘demande de prestations en especès’ met daarbij een ‘certificat medical’ van 10 juni 1991 een aanvraag om een WAO-uitkering heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat appellant eerst is overgegaan tot beoordeling van appellants aanspraak op een WAO-uitkering naar aanleiding van een (herhaalde) aanvraag bij brief van 11 juni 1999. Uit een uitspraak van de Raad van 16 augustus 2000, LJN ZB8931 volgt dat indien een betrokkene door de trage besluitvorming, die aan het bestuursorgaan te wijten is, in een slechte bewijspositie is komen te verkeren, er aanleiding bestaat om eventueel daardoor bestaande twijfel in zijn voordeel uit te leggen. Gelet op de gedingstukken, met name de medische rapporten van zowel de Marokkaanse als de Nederlandse artsen, moet naar het oordeel van de rechtbank geconcludeerd worden dat er twijfel bestaat over het psychisch ziektebeeld van betrokkene op datum einde wachttijd. Gelet hierop en gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 16 augustus 2000 had appellant de twijfel over de medische toestand van betrokkene per 16 oktober 1991 in het voordeel van betrokkene moeten uitleggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellant dit uitgangspunt bij de medische beoordeling van betrokkene als uitgangspunt heeft genomen. Appellant lijkt de twijfel over het bestaan van psychische beperkingen in het nadeel van betrokkene te hebben uitgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat appellant het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, zodat het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

2.2. Ten aanzien van het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

2.2.1. Uit de uitspraak van de Raad van 13 maart 2008, LJN BC7537, volgt dat voor de aanvang van de redelijke termijn in beginsel de datum waarop het bezwaarschrift wordt ingediend als uitgangspunt dient te gelden, maar dat onder bijzondere omstandigheden ook een eerdere datum als uitgangspunt kan worden genomen. De rechtbank stelt vast dat namens betrokkene in ieder geval bij brief van 9 december 2002 al is verzocht om een definitief besluit omtrent zijn WAO-aanspraken. Voor de aanvang van de redelijke termijn moet die brief van 9 december 2002 op één lijn worden gesteld met een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een primair besluit. Deze brief is blijkens de daarop aangebrachte stempel op 20 (lees: 24) december 2002 door appellant ontvangen. Deze datum dient daarom te worden aangehouden als datum waarop de redelijke termijn is aangevangen. Appellant heeft dit bij het bestreden besluit miskend. Appellant zal hiermee bij het opnieuw te nemen besluit op bezwaar rekening mee moeten houden.

2.2.2. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 21 juli 2008 tot en met de aangevallen uitspraak twee jaar en ruim drie maanden geduurd. Hieraan kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Dit heeft de rechtbank aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Met verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 18 november 2010 heeft appellant betoogd dat bij de medische beoordeling geen twijfel heeft bestaan of er wel of niet sprake is van ernstige psychiatrische stoornis op datum einde wachttijd. Dat betrokkene in oktober 1991 klachten had en als gevolg daarvan beperkingen, wordt niet betwist. Wel wordt betwist dat betrokkene toen ernstige psychische beperkingen had. Appellant heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de redelijke termijn een aanvang nam met de ontvangst van de brief van 9 december 2002. Met die brief werd door de echtgenote van betrokkene verzocht om haar in te lichten over de stand van zaken. Op dat moment was de besluitvorming naar aanleiding van het onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van betrokkene nog niet afgerond en de conclusies ook niet bekend gemaakt. Appellant heeft gesteld dat als aanvang van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van 20 juli 2004, de datum van het ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 juni 2004.

3.2. In verweer is namens betrokkene aangevoerd dat hij zich kan verenigen met de aangevallen uitspraak. Namens betrokkene is meegedeeld dat met de Staat voor wat betreft diens aansprakelijkheid in het aandeel van de overschrijding van de redelijke termijn overeenstemming is bereikt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad is, evenals de rechtbank, met verwijzing naar zijn in 2.1 vermelde uitspraak van 12 maart 1993, LJN ZB1831, van oordeel dat betrokkene reeds door middel van overlegging van een ‘demande de prestations en especès’ met daarbij een ‘certificat medical’ van 10 juni 1991 een aanvraag om een WAO-uitkering heeft ingediend.

4.1.2. In haar rapport van 18 november 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Koek uiteengezet dat zij geen twijfel heeft of er wel of niet bij einde wachttijd sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. Naar haar oordeel had betrokkene bij einde wachttijd anxio-depressieve klachten die behandeld werden met daarvoor gebruikelijke medicatie. Aan het rapport van 18 november 2010 wordt het volgende ontleend:

“Als onderbouw zijn alle medische verklaringen gegeven van de arts die betrokkene van 1992 tot 1999 zou hebben behandelend en bij herhaling anxiodepressieve klachten beschrijft en betrokkene ook als zodanig hiervoor behandeld. In geen enkele verklaring tot 1999 wordt klachten beschreven die zouden moeten doen wijzen op een ernstige psychiatrische stoornis, zijnde schizofrenie. Als daarbij dan ook nog een verklaring d.d. 26 juni 2002 bijgevoegd wordt, waarin staat dat betrokkene op de afdeling psychiatrie behandeld wordt voor antidepressiva klachten met sinds enkele jaren progressief verloop, begrijp ik niet waarom de Rechtbank twijfelt aan de afwezigheid van een ernstige psychiatrische stoornis in 1991. Wetende dat in 2007 dan voor het eerst de diagnose schizofrenie wordt genoemd, kan niet anders dan doen stellen dat deze zich pas ver na 1991 heeft ontwikkeld, zelfs na 2001. Vast staat dat betrokkene in 1991 anxiodepressieve (stemmings) klachten heeft, en behandeld werd met antidepressiva en angstremmers.

Vast staat dat er niet eerder dan in 2001 pas hallucinaties en een onaangepast gedrag worden genoemd, in 2002 er nog een verklaring is die de diagnose anxiodepressieve klachten handhaaft en pas eerst in 2007 de diagnose schizofrenie wordt genoemd. Vast staat dus dat betrokkene, zoals blijkt uit vele verklaringen uit deze periode in 1991 en 1992 geen schizofrenie heeft, geen psychotische kenmerken heeft, geen antipsychotica, gebruikt. Ik kan in de verklaringen van de behandelend arts geen andere medische feiten lezen dan er staan. In 1991 zijn er geen aanwijzingen voor aanwezigheid van schizofrenie: geen klachten, geen behandeling, geen kenmerken, geen diagnose. Tot 2001 worden geen klachten genoemd die duiden op de aanwezigheid van schizofrenie, zoals bv hallucinaties, en vindt geen behandeling plaats voor schizofrenie.”

4.1.3. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat uit de gedingstukken niet volgt dat per 16 oktober 1991 twijfel bestaat over het psychisch ziektebeeld van betrokkene. De Raad onderschrijft de onder 4.1.2 geciteerde uiteenzetting van bezwaarverzekeringsarts Koek en het betoog van appellant ter zake. Voor het bestaan van een ernstige psychiatrische stoornis in oktober 1991 bevindt zich onder de gedingstukken geen enkel medisch objectief stuk dat daar op wijst. Ook in het door betrokkene bij de rechtbank overgelegde rapport van psychiater J. de Jonge van 12 maart 2010 ontbreekt een medisch objectiveerbare onderbouwing voor het standpunt dat betrokkene per 16 oktober 1991 op psychische gronden ernstiger beperkt is dan door het Uwv was vastgesteld.

4.1.4. Ook overigens heeft de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. De Raad acht die grondslag dan ook deugdelijk. Uitgaande derhalve van de juistheid van de door appellant met betrekking tot betrokkenes vastgestelde belastbaarheid, stelt de Raad vervolgens vast dat betrokkene in staat moest worden geacht per 16 oktober 1991 de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten. In de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten is de passendheid van de geduide functies in medisch opzicht voldoende toegelicht.

4.1.5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 16 oktober 1991 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15% en hem terecht per die datum een WAO-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre.

4.2. Ook het hoger beroep van appellant met betrekking tot de vaststelling door de rechtbank van de aanvang van de redelijke termijn slaagt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals de uitspraak van 4 november 2005, LJN AU5643) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de verzekerde dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 maart 2008, LJN BC7537, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, geoordeeld dat in de bijzondere omstandigheden van dat geval de redelijke termijn eerder is aangevangen dan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat het onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de betrokken verzekerde was afgerond en dat de conclusies daarvan door de arbeidsdeskundige schriftelijk aan de verzekerde waren meegedeeld. Vervolgens is namens de verzekerde verzocht deze conclusies in een primair besluit neer te leggen opdat daartegen bezwaar kon worden gemaakt. Vanaf dat moment was duidelijk dat de verzekerde zich niet in die conclusies kon vinden. In het geval van betrokkene was ten tijde van de brief van 9 december 2002 geen sprake van een vergelijkbare situatie. De brief van de echtgenote van betrokkene is niet anders op te vatten dan als een verzoek om inlichtingen omtrent de stand van het onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Eerst met het op 20 juli 2004 ontvangen bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 28 juni 2004 was duidelijk dat betrokkene zich niet kon verenigen met het door appellant ingenomen standpunt ten aanzien van de aanvraag van betrokkene om een WAO-uitkering met ingang van 16 oktober 1991.

4.3. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen met betrekking tot de schending van de redelijke termijn, overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit, dat de procedure die een aanvang nam met het besluit van 28 juni 2004 en de procedure die een aanvang nam met het besluit van 27 december 2007 voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden is aan te merken is als één procedure. De Raad stelt vast dat met betrekking tot de redelijke termijn appellant uitsluitend in hoger beroep is gekomen tegen het oordeel van de rechtbank over de aanvang van de redelijke termijn in het onderhavige geding en voor het overige het oordeel van de rechtbank niet heeft bestreden. Tussen partijen is alleen in geschil de hoogte van schadevergoeding vanwege het aandeel van appellant in de overschrijding van de redelijke termijn.

4.3.2. Voor de wijze van beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 26 januari 2009, LJN BH1009 en 15 april 2009, LJN BI2044. Zoals onder 4.2 is geoordeeld vangt de redelijke termijn aan met ontvangst op 20 juli 2004 van het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 28 juni 2004. Vanaf 20 juli 2004 tot de datum van de aangevallen uitspraak zijn zes jaar en ruim drie maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure bij de rechtbank op een andere termijn dan twee jaar te stellen, zodat geconcludeerd moet worden dat de redelijke termijn is overschreden. Onder 2.2.2 is aangegeven dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de behandeling van het beroep bij de rechtbank twee jaar en ruim drie maanden heeft geduurd, waaraan het vermoeden kan worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Uit het voorgaande volgt dat de bestuurlijke fase in totaal vier jaar heeft geduurd, zodat de redelijke termijn door appellant met drie jaar en zes maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,--. Aangezien appellant reeds bij het bestreden besluit een bedrag van € 1.560,-- aan schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aan betrokkene heeft toegekend, dient appellant nog een bedrag van € 1.940,-- te voldoen. De Raad zal met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb appellant veroordelen tot betaling aan betrokkene van dat bedrag.

4.4. Beslist wordt als hierna in rubriek III staat aangegeven.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en merkt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt appellant tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.940,--.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en B.M. van Dun en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

EF