Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
09/6782 WWB + 09/6783 WWB + 09/6870 WWB + 09/6871 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Betrokkenen zijn gehuwd geweest en uit dat huwelijk zijn kinderen geboren. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Buren kenden betrokkenen niet anders dan als gezin. De aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief op grond waarvan zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, is niet relevant. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6782 WWB

09/6783 WWB

09/6870 WWB

09/6871 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] (betrokkene 1) en [Betrokkene 2] (betrokkene 2), beiden wonende te [woonplaats],

en het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 november 2009, 09/1372 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkenen

en

het College

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkenen heeft mr. E.H.J. Plass, advocaat te Horst, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen is een verweerschrift ingediend. Het College heeft eveneens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. Plass. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene 2 ontving sinds 30 mei 2001 bijstand laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder en sinds 12 januari 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene 1 ontving sinds 20 augustus 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, eveneens laatstelijk ingevolge de WWB, met uitzondering van de periode van 15 maart 2004 tot 7 juni 2004 waarin hij in detentie was. Betrokkenen zijn tot 21 mei 2002 met elkaar gehuwd geweest en uit dat huwelijk zijn kinderen geboren. Zij ontvangen sinds 1 april 2008 bijstand naar de norm voor gehuwden en zijn sinds 19 juni 2008 weer met elkaar gehuwd. Betrokkene 2 stond in de periode van 25 oktober 2001 tot 9 mei 2007 ingeschreven bij de afdeling Bevolking van de gemeente Nijmegen als bewoner van het adres [adres 1]. Met ingang van 9 mei 2007 staat zij ingeschreven als bewoner van het adres [adres 2]. Betrokkene 1 stond sinds 2002 op verschillende andere adressen in de gemeente Nijmegen geregistreerd.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding van 1 maart 2007 dat betrokkenen reeds jaren zouden samenwonen op het adres [adres 1], heeft de Afdeling Sociale Zaken en Werk Nijmegen van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand. In dat kader is onder andere dossieronderzoek verricht, hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd en zijn betrokkenen verhoord.

1.3. In de bevindingen van dit onderzoek, die zijn neergelegd in het rapport van 14 juli 2008, heeft het College aanleiding gezien om bij besluiten van 3 september 2008 de bijstand van betrokkenen over de periode van 20 augustus 2002 tot en met 31 maart 2008 te herzien naar de norm voor gehuwden. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkenen in deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en daarvan geen opgave aan het College hebben gedaan. Verder heeft het College de kosten van de over deze periode aan betrokkene 1 ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 21.887,43 van hem teruggevorderd en deze kosten tevens van betrokkene 2 teruggevorderd. Daarnaast heeft het College de kosten van de over deze periode aan betrokkene 2 ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 43.508,58 van haar teruggevorderd en deze kosten tevens van betrokkene 1 teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 3 september 2008 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College de (mede-)terugvordering van de kosten van de aan betrokkene 2 verleende bijstand heeft verminderd tot een bedrag van € 34.912,68 bruto en € 970,31 netto, omdat betrokkene 1 in de periode van 15 maart 2004 tot 7 juni 2004 in detentie was en betrokkene 2 in deze periode wel recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 februari 2009 - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 20 augustus 2002 tot 14 oktober 2006 en van 12 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 en op de (mede-)terugvordering en het College opgedragen om in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat betrokkene 1 in de periode van 20 augustus 2002 tot 14 oktober 2006 zijn hoofdverblijf in de woning van betrokkene 2 op het adres [adres 1] heeft gehad, zodat het College niet bevoegd was om de bijstand over deze periode in te trekken. Ten aanzien van de periode van 14 oktober 2006 - de dag waarop betrokkene 2 een hartinfarct kreeg - tot en met 31 maart 2008 heeft de rechtbank overwogen dat wel voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf in de woningen van betrokkene 2 op het adres [adres 1] en vervolgens het adres [adres 2] heeft gehad. Nu het College naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval in de periode van 14 oktober 2006 tot 12 januari 2008 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding en dat betrokkenen daarvan in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gedaan, was het College bevoegd om de bijstand over deze periode in te trekken. Het College was naar het oordeel van de rechtbank echter niet bevoegd om de bijstand over de periode van 12 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 in te trekken, nu in deze periode tevens dient te worden voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg en daarvan is niet gebleken.

3. Betrokkenen en het College hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Betrokkenen kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zij in de periode van 14 oktober 2006 tot 12 januari 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het hoger beroep van het College is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de intrekking van bijstand over de perioden van 20 augustus 2002 tot 14 oktober 2006 en van 12 januari 2008 tot en met 31 maart 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aangezien vast staat dat uit het (eerste) huwelijk van betrokkenen kinderen zijn geboren, geldt ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk van de WWB voor wat betreft de gehele periode van 20 augustus 2002 tot en met 31 maart 2008 het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding indien komt vast te staan dat betrokkenen gedurende deze periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2009, LJN BK 8320, is het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing ongeacht de leeftijd van het betreffende kind. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een toereikende feitelijke grondslag vormen voor het standpunt van het College dat betrokkenen in de periode van 14 oktober 2006 tot en met 31 maart 2008 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Anders dan de rechtbank komt de Raad evenwel ook ten aanzien van de periode van 20 augustus 2002 tot 14 oktober 2006, met uitzondering van de periode van 15 maart 2004 tot 7 juni 2004 waarin appellant gedetineerd was, tot dat oordeel. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.2.1. De Raad acht ten eerste de door betrokkenen tijdens de verhoren afgelegde verklaringen van groot belang. Betrokkene 1 heeft bij zijn eerste verhoor op 8 juli 2008 onder meer het volgende verklaard: “U vraagt mij hoe vaak ik van augustus 2002 tot mei 2007 op het adres [adres 1] te [gemeente] was, het toenmalige adres van mijn vrouw [G.]. Ik was daar heel vaak omdat zij mijn hulp nodig had.” Bij zijn tweede verhoor op die dag heeft hij onder meer het volgende verklaard: “Ik was daar bijna dagelijks om voor mijn kinderen en mijn kleindochter te zorgen.” Betrokkene 2 heeft bij haar verhoor op 8 juli 2008 onder meer het volgende verklaard over de aanwezigheid van betrokkene 1 in haar woning: “(…) [R.] kwam zeg maar vanaf 2001 wel eens bij ons over de vloer en vanaf 2002 kwam hij regelmatig bijna dagelijks bij mij over de vloer. (…) Ik zeg u gewoon eerlijk, vanaf 2002 was [R.] heel erg veel bij mij. Hij moest voor mij en voor de kinderen komen zorgen. Hij kwam echt wel vaak. Hij is door de situatie heel veel bij mij geweest. (…) Wij functioneerden eigenlijk als een gezin, waarin [R.] een groot deel van de zorg op zich nam.” Dat de verklaring van betrokkene 2 zoals deze is opgenomen in het proces-verbaal geen juiste weergave zou zijn van de verklaring die zij tijdens het verhoor tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd, is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk geworden. De Raad stelt op grond van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal vast dat de verklaring aan betrokkene 2 is voorgelezen, dat zij deze zelf heeft nagelezen, in de verklaring heeft volhard en deze vervolgens heeft ondertekend. Voorts is de verklaring gedetailleerd en stemt deze in grote mate overeen met de verklaring die betrokkene 1 heeft afgelegd.

4.2.2. De Raad hecht voorts belangrijke waarde aan de door getuigen afgelegde verklaringen. De getuigen [getuige 1] / [getuige 2] en [getuige 3] / [getuige 4] hebben betrokkenen op de hen getoonde foto’s herkend als hun oude buren op het adres [adres 1]. [getuige 1] en [getuige 2] hebben daarbij op 4 juni 2008 verklaard dat betrokkenen, toen zijzelf daar ongeveer vier en een half jaar geleden kwamen wonen, daar al woonden met hun kinderen en dat zij niet beter wisten dan dat daar een gezin woonde. [getuige 3] en [getuige 4] hebben op die dag verklaard dat betrokkenen tot begin april 2007 hun buren zijn geweest en dat betrokkenen daar ongeveer vijf jaar met hun kinderen en hun kleinkind hebben gewoond. Ook zij kenden betrokkenen niet anders dan als een gezin. Getuige [getuige 5] heeft op 8 juli 2008 verklaard dat in de woning naast hem op het adres [adres 2] sinds een klein jaar een gezin woont, bestaande uit een man, vrouw en kinderen. Getuige [getuige 6], werkzaam bij Bureau Jeugdzorg, heeft eveneens verklaard dat betrokkenen samenwonen op het adres

[adres 2]. De Raad acht ook de verklaringen van meerdere getuigen die hebben gewoond naast of nabij de adressen waar betrokkene 1 in de periode hier in geding stond ingeschreven, van belang. Deze getuigen hebben na het tonen van een foto van betrokkene 1 allen verklaard hem niet te herkennen als bewoner van de betreffende adressen. Een aantal van deze getuigen heeft voorts verklaard wie op die adressen wél woonde(n).

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2.2 is overwogen moet het ervoor worden gehouden dat betrokkenen in de gehele periode hier in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daaraan doet niet af dat, naar betrokkenen stellen, sprake was van een zeer specifieke situatie waarin de ziekte van betrokkene 2 en de verslaving van hun zoon de drijfveer was voor hun contact en dat dit met onderlinge affectie niets van doen had. Naar vaste rechtspraak van de Raad is de aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief op grond waarvan zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, voor de toepassing van de Abw en de WWB niet relevant.

4.4. Nu vast staat dat betrokkenen van de gezamenlijke huishouding geen opgave aan het College hebben gedaan, hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het College was dan ook bevoegd om de bijstand van betrokkene 1 en van betrokkene 2 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over de gehele periode in geding te herzien naar de norm voor gehuwden. Betrokkenen hebben de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Evenmin hebben betrokkenen gronden tegen de (mede-)terugvordering van de kosten van bijstand naar voren gebracht.

4.5. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkenen niet slaagt. Het hoger beroep van het College slaagt wel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover door het College aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 23 februari 2009 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover door het College aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 februari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B. Bekkers.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

KR