Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10-5116 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het CBBS is niet in strijd met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende vereiste van “equality of arms”. Zoals de Raad eerder heeft overwogen o.m. in CRvB 8-3-2005, LJN AS9343 en 10-3-2010, LJN BL7275, zijn er geen redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of en zo ja in welke mate iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In dit oordeel ligt tevens besloten dat betrokkene niet kan worden gevolgd in de opvatting dat het in strijd is te achten met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende vereiste van “equality of arms”, alsmede het beginsel van “fair play” dat het Uwv middels het CBBS over gegevens beschikt die voor betrokkene niet alle kenbaar zijn. Immers het staat betrokkene vrij om andersluidende gegevens aan te dragen die indien zij reële twijfel wekken van de in het CBBS opgenomen gegevens aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/364
USZ 2011/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5116 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 augustus 2010, 09/594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis, verbonden aan JEE Juridisch Administratief Recht te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 24 november 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de klasse 80 tot 100%, met ingang van 25 januari 2009 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15% was. Het besluit van 24 november 2008 berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, dat in het kader van een herbeoordeling op basis van het Schattingbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004, is verricht. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 14 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 november 2008 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 25 januari 2009 vastgesteld op 25 tot 35%. Het besluit van 14 mei 2009 berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met beslissingen over proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op het rapport van psychiater J.W. Brals alvorens op het bezwaar werd beslist. Wegens strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het medisch onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is zorgvuldig geweest en de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de op grond daarvan opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante acht het medisch onderzoek onzorgvuldig en is van mening dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Voorts zijn er gronden naar voren gebracht met betrekking tot het opleidingsniveau van appellante en de geschiktheid van de functies. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het bevragen van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) niet inzichtelijk is, zodat daartegen geen verweer kan worden gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts die appellante voorafgaand aan het primaire besluit van 24 november 2008 heeft onderzocht heeft ook de op 13 maart 2009 gehouden hoorzitting in bezwaar bijgewoond, maar blijkens het daarvan opgemaakte verslag heeft deze arts zich teruggetrokken omdat hij elke vorm van belangenverstrengeling en alle schijn van vooringenomenheid en/of partijdigheid wenste te voorkomen. Op de hoorzitting is afgesproken dat appellante door een andere bezwaarverzekeringsarts telefonisch zal worden opgeroepen voor een nader onderzoek. Tijdens het verhandelde ter zitting bij de Raad is namens appellante aangevoerd dat dit nader onderzoek nooit heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts

M. Achterberg van 4 mei 2009 staat vermeld volgt de Raad deze stelling niet. Daarin staat immers uitgebreid beschreven wat de bevindingen zijn geweest van dit op

3 april 2009 verrichte onderzoek. De Raad ziet, in de enkele stelling van appellante dat dit onderzoek nooit heeft plaatsgevonden, geen reden hieraan te twijfelen. Voorts wijst de Raad erop dat naast dit nadere onderzoek, appellante op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht door een psychiater en desgevraagd inlichtingen van de behandelende artsen zijn verkregen. Op basis van al deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts een FML voor appellante opgesteld. Van een onzorgvuldig medisch onderzoek is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft na eigen onderzoek, en op basis van informatie van de behandelend orthopedisch chirurg

A.K.H. ten Kate, fysieke beperkingen aangenomen in verband met de klachten die appellante heeft ten aanzien van haar knie en linkerbeen. Tevens zijn er beperkingen aangenomen in verband met het gehoorprobleem van appellante. Psychische beperkingen zijn niet aangenomen omdat psychiater Brals in het expertiseverslag van

21 april 2009 heeft aangegeven dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Door appellante zijn in beroep noch in hoger beroep medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen dat haar beperkingen zijn onderschat. Zo is niet met medisch objectiveerbare stukken onderbouwd dat de verminderde visus van appellante beperkingen bij het verrichten van arbeid oplevert. Evenmin is onderbouwd dat de knieklachten van appellante tot zwaardere beperkingen dienen te leiden. De Raad wijst erop dat orthopedisch chirurg Ten Kate appellante niet geschikt achtte voor werkzaamheden met flinke kniebelasting, hetgeen de bezwaarverzekeringsarts bij de vaststelling van de FML heeft betrokken. Ook het standpunt van appellante, dat er nader onderzoek had moeten worden verricht naar de mate van haar gehoorbeschadiging, is niet nader toegelicht met medische gegevens. De verwijzing van appellante naar het rapport van psychologen drs. G. Kraaijenbrink en

dr. W.H.J. Lancée van 25 september 1989, waarin de diagnose posttraumatische stressstoornis wordt gesteld, kan niet leiden tot het oordeel dat ten aanzien van de onderhavige datum in geding uitgegaan is van een onjuist psychisch toestandsbeeld van appellante. Dit rapport is gedateerd en op basis van een recent expertiseverslag van psychiater Brals heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake meer is van een psychiatrisch ziektebeeld. Recente medische gegevens zijn door appellante niet ingebracht.

4.3.1. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor ziet de Raad in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 mei 2009, 8 april 2010 en 31 mei 2010. In de twee laatstvermelde rapporten is ingegaan op de in beroep aangevoerde gronden. De stelling van appellante dat de functies niet geschikt zijn omdat zij niet in staat is te knielen of te hurken volgt de Raad niet. In de FML wordt als toelichting onder het aspect ‘knielen of hurken’ aangegeven dat hurken niet lukt, dat knielen dient te worden vermeden, maar dat appellante wel iets van de grond kan pakken. De Raad volgt de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige, neergelegd in het rapport van 8 april 2010, dat knielen in de functies slechts in (zeer) incidentele mate voorkomt, hetgeen mogelijk moet worden geacht.

4.3.2. De Raad onderschrijft voorts de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige, als neergelegd in het rapport van 12 mei 2009, dat appellante opleidingsniveau 4 heeft, door te verwijzen naar het gegeven dat zij het Lager Onderwijs heeft gevolgd en de opleidingen LHNO, INAS, Ziekenverzorgende B en de opleiding tot doktersassistente succesvol heeft afgesloten. De functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen vereisen bovendien maximaal opleidingsniveau 3, zodat deze geschikt zijn. De beroepsgrond dat appellante de (technische) ervaring voor een aantal van de functies ontbeert, slaagt niet omdat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst volgt dat voor geen van de functies specifieke ervaring is vereist.

4.4. Met betrekking tot de door appellante naar voren gebrachte stelling dat toepassing van het CBBS in strijd is met het uit artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende vereiste van ‘equality of arms’ overweegt de Raad het volgende. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraken van 8 maart 2005 LJN AS9343 en 10 maart 2010 LJN BL7275, zijn er geen redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In dit oordeel ligt tevens besloten dat appellante niet kan worden gevolgd in haar opvatting dat het in strijd is te achten met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende vereiste van ’equality of arms’, alsmede het beginsel van ’fair play’, dat het Uwv middels het CBBS over gegevens beschikt die voor appellante niet alle kenbaar zijn. Immers het staat appellante vrij om andersluidende gegevens aan te dragen, die indien zij reële twijfel wekken van de in het CBBS opgenomen gegevens aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan. Mitsdien kan ook deze beroepsgrond van appellante niet slagen.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

IvR