Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
11-537 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderbijslag. Geen verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar. Onbekendheid met de wet- en regelgeving. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/537 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2011, 10/1805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2011. Appellant is, onder opgaaf van redenen, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met een aanvraagformulier, gedateerd 18 juli 2009, heeft appellant kinderbijslag, als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), aangevraagd voor zijn aangetrouwde dochter [naam dochter], geboren [in] 1996. Bij besluit van 26 februari 2010 is aan appellant een voorschot op de kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal van 2008. Met een besluit van eveneens 26 februari 2010 is aan appellant medegedeeld dat er geen recht op kinderbijslag bestaat over de periode tot 1 juli 2008, omdat de Svb met maximaal een jaar terugwerkende kracht kan beoordelen of er recht bestaat op kinderbijslag. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.

1.2. In bezwaar tegen het besluit geen kinderbijslag toe te kennen voorafgaande aan het derde kwartaal van 2008 benadrukt appellant dat hij al lange tijd niet meer in Nederland woont en niet op de hoogte is of is gesteld van de regelgeving in Nederland omtrent kinderbijslag. Appellant geeft aan [in] 2003 in Frankrijk getrouwd te zijn met de moeder van [naam dochter], tussen 11 februari 2005 en 2 april 2006 in China gewoond te hebben en op 2 april 2006 met zijn echtgenote en haar dochter weer in Frankrijk te zijn gaan wonen.

2. In het besluit op bezwaar van 26 maart 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb besloten het bezwaar ongegrond te verklaren. Hierbij heeft de Svb overwogen dat niet was gebleken dat appellant niet eerder kinderbijslag had kunnen aanvragen. Onbekendheid met de wet of internationale regelingen leidt niet tot het aannemen van een bijzonder geval.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb, overeenkomstig zijn beleid op dit punt, terecht geen verdergaande terugwerkende kracht heeft toegekend. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb, gelet op de schriftelijke verklaring van appellant, terecht van een hoorzitting heeft afgezien.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In geding is de vraag of kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voor datum aanvraag moet worden toegekend.

4.2. De Svb heeft beleid gevormd over de aard en de wijze waarop zij gebruik maakt van de haar in het derde lid van artikel 14 van de AKW toegekende bevoegdheid. Dit artikellid is in het beleid - in overeenstemming met de rechtspraak van deze Raad - zo uitgelegd dat onder meer een bijzonder geval wordt aangenomen, indien de belanghebbende door een hem niet aan te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen, dan wel indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke rechten en deze onbekendheid verschoonbaar was. Dat de Svb toepassing heeft gegeven aan artikel 14, derde lid, van de AKW en het daarop gebaseerde beleid, blijkt uit het bestreden besluit.

4.3. In verschillende brieven, onder andere het bezwaarschrift van 8 maart 2010, benadrukt appellant dat hij al meer dan 20 jaar niet in Nederland woont en niet op de hoogte was van zijn rechten op grond van de AKW. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb dit terecht aangemerkt als een beroep op onbekendheid met de wet- en regelgeving. Hoewel de Raad wil aannemen dat het niet altijd eenvoudig is, bij langere afwezigheid uit Nederland, op de hoogte te zijn van de relevante wet- en regelgeving, moet de Raad tevens constateren dat appellant geruime tijd wel in Nederland heeft gewoond en voor een Nederlandse werkgever in het buitenland werkzaam is geweest. Ook in die periode bestond de AKW (of een voorloper daarvan). Naar het oordeel van de Raad had appellant op de hoogte kunnen zijn van het bestaan van de AKW en de rechten die hij daaraan kon ontlenen. Daarbij is de vraag of appellant feitelijk op de hoogte was van zijn rechten niet van belang, enkel de vraag of hij daarvan redelijkerwijs op de hoogte kon zijn is relevant. De Svb is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat, gezien het bepaalde in artikel 14 van de AKW en zijn beleidsregels, appellant niet in aanmerking kwam voor een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar. Appellants stelling dat hij de Svb heeft verzocht hem op de hoogte te stellen van zijn mogelijke rechten op subsidies, toeslagen en bijslagen, op welk verzoek hij stelt geen antwoord gekregen te hebben, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Hiertoe overweegt de Raad dat appellant zijn stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd met (schriftelijke) bewijsstukken.

4.4. Met betrekking tot het afzien van een hoorzitting door de Svb overweegt de Raad als volgt. In het door appellant teruggestuurde “Antwoordformulier hoorzitting” heeft hij aangekruist “Ik maak geen gebruik van de mogelijkheid om te worden gehoord”. Daaronder heeft hij aangegeven dat hij van mening is dat zijn bezwaar voldoende duidelijk is verwoord in zijn bezwaarschrift en tevens dat de afstand tussen zijn woonplaats en het Svb kantoor te ver is “om even langs te komen”. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb uit deze gegevens terecht de conclusie getrokken dat appellant niet zou verschijnen op een hoorzitting en heeft hij derhalve terecht van het uitschrijven van een hoorzitting afgezien.

4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

KR