Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
09-5242 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Op de betaal- en beleggingsrekening zijn grote bedragen gestort, waarover appellant kon beschikken en die moeten worden beschouwd als op zijn bijstandsuitkering te korten inkomsten. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden, zodat geen grond is voor het oordeel dat de hier aan de orde zijnde besluitvorming in strijd is met het vertrouwensbeginsel of een ander in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5242 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2009, 09/1473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Wytzes, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wytzes. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Verhagen, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 6 december 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een heronderzoek in april 2004 is het College gebleken dat appellant sinds 1996 een betaalrekening en sinds 2001 een beleggingsrekening bij de Rabobank op zijn naam heeft staan, waarover hij het College niet eerder had geïnformeerd. In het kader van een vervolgonderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het College alle bankafschriften van beide bankrekeningen opgevraagd en heeft appellant op

30 januari 2006 verklaringen over deze rekeningen afgelegd. Vervolgens heeft het College de zaak overgedragen aan de sociale recherche en is appellant op 12 december 2006 verhoord.

1.3. De onderzoeksresultaten van de sociale recherche, neergelegd in een rapport van 5 april 2007, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 oktober 2008 de bijstand van appellant over een aantal maanden in de periode van 1 januari 1997 tot en met december 2002 en over de maand juni 2004 te herzien dan wel in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.169,87 van hem terug te vorderen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat op de betaal- en beleggingsrekening grote bedragen zijn gestort, waarover appellant kon beschikken en die moeten worden beschouwd als op zijn bijstandsuitkering te korten inkomsten.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 19 februari 2009 heeft het College het besluit van 27 oktober 2008 gehandhaafd, onder aanpassing van de wettelijke terugvorderingsgrondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 februari 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, dat het College bevoegd is om de bijstand over de hier aan de orde zijnde perioden te herzien, dan wel in te trekken en terug te vorderen en dat er geen grond is voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Appellant heeft weliswaar ook in hoger beroep aangevoerd naar aanleiding van het heronderzoek in april 2004 nadere gegevens te hebben verstrekt over de bankrekeningen, maar dit neemt niet weg dat hij de opening van de bankrekeningen in 1996 respectievelijk 2001, de nadien op deze bankrekeningen gestorte bedragen en de tegoeden had moeten melden aan het College. Het had appellant immers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de informatie over de bankrekeningen op zijn naam en de tegoeden daarop van belang konden zijn voor zijn recht op bijstand. Dat appellant, zoals hij stelt, in de veronderstelling verkeerde dat de tegoeden op de bankrekeningen toebehoorden aan derden en dat hij zich er niet van bewust was dat hij de bankrekeningen had moeten melden, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank in overweging 2.3.8 van de aangevallen uitspraak uitvoerig is ingegaan op het door appellant - ook in bezwaar en beroep - ingenomen standpunt dat hij niet beschikte dan wel redelijkerwijs niet kon beschikken over de tegoeden op de bankrekeningen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat noch de door appellant overgelegde verklaringen van M. [H.] en [S.A.A.] noch de overige gedingstukken objectieve en concrete aanwijzingen bevatten voor de juistheid van dit standpunt.

4.3. De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank en ziet in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant, door eerst in april 2004 informatie over de bankrekeningen te verstrekken, het College de mogelijkheid heeft ontnomen om de herkomst van de stortingen op deze rekeningen te onderzoeken op het moment waarop de stortingen plaatsvonden. De bewijsnood waarin appellant stelt te verkeren, omdat hij niet over de middelen beschikt nadere verklaringen in de procedure te brengen die zijn standpunt onderbouwen, heeft hij met de schending van de inlichtingenverplichting over zichzelf afgeroepen en dient dan ook voor zijn rekening te blijven.

4.4. Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald en in dat licht tevens aangevoerd dat het College, door pas na ruim vier jaar na kennisname van de bankrekeningen tot herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand over te gaan, niet heeft gehandeld overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur.

4.5. Nu appellant zijn beroep op het vertrouwensbeginsel in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. Ook de Raad is niet gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het College waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Voorts ziet de Raad, tegen de achtergrond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, geen grond voor het oordeel dat de hier aan de orde zijnde besluitvorming in strijd is met het vertrouwensbeginsel of een ander in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het gegeven dat het College na kennisname van de bankrekeningen in april 2004 eerst op

27 oktober 2008 tot de hier aan de orde zijnde besluitvorming is overgegaan, levert niet een zodanige grond op.

4.6. De stelling van appellant dat hij door het stilzitten van het College geconfronteerd wordt met een bruto terugvordering kan de Raad niet volgen. De Raad wijst er allereerst op dat reeds in april 2004, toen het College bekend werd met de bankrekeningen, de (bruto) kosten van bijstand al nagenoeg geheel waren gemaakt. Voorts heeft het College ook na april 2004 nog uitgebreid nader onderzoek moeten verrichten om een goed beeld te krijgen van de financiële situatie van appellant in de periode hier van belang.

4.7. Ter zitting heeft appellant nog naar voren heeft gebracht dat hij zich uiterst gegriefd voelt door de passage in het onderzoeksrapport van 5 april 2007 waarin is vermeld dat uit verkregen politie-informatie is gebleken dat appellant iets te maken zou kunnen hebben met het leveren van wapens en paspoorten. De Raad stelt vast dat het College die informatie niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, zodat de vermelding daarover in het onderzoeksrapport hier onbesproken kan blijven.

4.8. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) I. Mos.

KR