Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10-5918 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5918 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2010, 09/3331(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder meezending van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 16 juni 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 oktober 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellante ingaande 3 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 19 mei 2009. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat de voor appellante geduide functies passend zijn.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen onafhankelijke psychiater heeft benoemd om haar psychische belastbaarheid vast te stellen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek en dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De stelling van appellante, dat gezien het feit dat de visie van haar huisarts op haar psychische klachten dusdanig verschilt met die van de (bezwaar)verzekeringsarts, het Uwv een onafhankelijke psychiater had moeten benoemen, slaagt niet en wel vanwege het navolgende. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur onderzocht en enige fysieke en psychische beperkingen aangenomen in verband met de klachten die appellante heeft. De symptomen en psychomotoriek van appellante passen volgens de verzekeringsarts niet bij een depressie. De reeds in het dossier voorhanden zijnde informatie van de huisarts van 19 november 2008 is daarbij meegewogen. Tevens heeft de verzekeringsarts op 6 juni 2009 desgevraagd actuele informatie verkregen van de huisarts en meegewogen bij zijn beoordeling. In bezwaar heeft appellante vervolgens een brief van haar huisarts van 26 augustus 2009 ingebracht. Daarin wordt aangegeven dat sprake is van ernstige depressieve klachten, waarvoor medicatie onvoldoende helpt. Psychologische hulp in de eigen taal wordt overwogen, aldus de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellante gezien tijdens het spreekuur en haar medisch onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. Dat appellante weinig plezier ervaart in haar leven blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts uit de hetero-anamnese, maar aanwijzingen voor vitale depressieve kenmerken zijn er niet. Tijdens het spreekuur heeft de bezwaarverzekeringsarts geen depressieve stemming waargenomen en evenmin een bij een depressie passende psychomotoriek. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, nu de visie van de huisarts op de psychische toestand van appellante gemotiveerd is weerlegd.

4.3. Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) N.S.A. El Hana.

CVG