Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
09/4212 WWB + 09/4214 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Kinderen uit de relatie geboren. Doorslaggevend is derhalve het feit dat appellanten het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4212 WWB

09/4214 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juni 2009, 08/1168 (hierna: aangevallen uitspraak I)

en

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juni 2009, 08/1169 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Voor appellant is verschenen mr. N. Hollander, advocaat te Groningen en opvolgend gemachtigde van appellant. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving - voor zover hier van belang - sinds 1 mei 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante ontving - voor zover hier van belang - sinds 1 mei 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Appellanten zijn tot 4 mei 2005 met elkaar gehuwd geweest. Tijdens hun huwelijk woonden appellanten op het adres [adres 1] in Groningen. Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding is appellant bij zijn ex-echtgenote in de [straatnaam adres 1] blijven wonen tot 22 mei 2006. Appellant stond vanaf 1 juni 2006 ingeschreven op het adres [adres 2] in Groningen. Appellanten hebben tezamen twee kinderen, geboren in 2006 en 2007.

1.3. Naar aanleiding van twijfels die omtrent de juistheid van de door appellant opgegeven woonsituatie waren gerezen, hebben medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werk op 27 februari 2007 een huisbezoek afgelegd aan de [adres 2]. De bevindingen van dat bezoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 maart 2007 de bijstand van appellant met ingang van 27 februari 2007 in te trekken op de grond dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 13 april 2007 heeft het College aan appellant opnieuw bijstand toegekend met ingang van 20 maart 2007.

1.4. Op 22 januari 2008 heeft de afdeling Fraudecontrole, onaangekondigd, huisbezoeken afgelegd aan de [adres 2] en de [adres 1]. De huisbezoeken, de gesprekken die tijdens en na de huisbezoeken met onder meer appellant hebben plaatsgevonden, aangevuld met nader onderzoek naar de echtheid van de door appellant overgelegde huurovereenkomst en het pingedrag van appellant, hebben de fraudecontroleurs tot de voorlopige conclusie gebracht dat er sterke aanwijzingen zijn dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft aan de [adres 2] en dat nader onderzoek door de Sociale Recherche is geboden. Het Verslag huisbezoek van 23 januari 2008 en het Rapport Fraude Controle van 6 februari 2008 zijn de startpunten geweest voor het onderzoek van de Sociale Recherche waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 28 maart 2008.

1.5. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 april 2008 de bijstand van appellant vanaf 1 mei 2006 in te trekken op de grond dat appellant in de periode van 1 mei 2006 tot en met 26 februari 2007 en van 20 maart 2007 tot en met 29 februari 2008 niet woonachtig is geweest op het door hem opgegeven adres en in de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, waarvan hij aan het College geen opgave heeft gedaan. Bij dat besluit heeft het College tevens de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.995,79, inclusief het bedrag van € 1.021,91 (de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008) van hem teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 7 april 2008 heeft het College de bijstand van appellante van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 ingetrokken op de grond dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.021,91 van haar teruggevorderd. Bij dat besluit is appellante tevens hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de totale kosten van ten onrechte aan appellant verstrekte bijstand over de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 tot het bedrag van € 784,24.

1.6. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het College de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij het besluit op een aantal onderdelen gewijzigd. De bijstand wordt over de periode van 1 mei 2006 tot en met 22 december 2007 en vanaf 23 januari 2008 (hierna: beoordelingsperiode I) ingetrokken op de grond dat de woonsituatie van appellant onduidelijk is waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstand wordt over de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 (hierna: beoordelingsperiode II) ingetrokken omdat appellant met appellante een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB heeft gevoerd en derhalve niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum heeft het College de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de beide besluiten van 4 november 2008 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak I gekeerd. Deze zaak is geregistreerd onder nr. 09/4212 WWB.

3.2. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak II gekeerd. Deze zaak is geregistreerd onder nr. 09/4214 WWB.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Beoordelingsperiode I

4.1.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 mei 2006 tot en met 22 december 2007 en van 23 januari 2008 tot en met 7 april 2008.

4.1.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de betrokkene een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de uitkeringsgerechtigde juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.1.3. Appellant heeft betoogd dat het College er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij niet aan de [adres 2] woonde. Appellant heeft daartoe gewezen op het ontbreken van een eenduidige, bekennende verklaring van zijn kant. Uit de onduidelijkheden met betrekking tot het huurcontract en de verklaringen van de medebewoners kan volgens hem niet worden afgeleid dat hij niet aan de [adres 2] woonde.

4.1.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op grond van de onderzoeksbevindingen omtrent de woon- en leefsituatie van appellant terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant gedurende de periode hier in geding niet op het door hem opgegeven adres aan de [adres 2] woonde en hiervan aan het College geen mededeling heeft gedaan. De Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen van bewoners van de [adres 2] die unaniem hebben ontkend dat appellant bij hen in huis woonde. [adres 2] is een studentenhuis, waarin de bewoners het gebruik van keuken en sanitair met elkaar delen. Een bewoner heeft derhalve goed zicht op de andere (mede) bewoners. Daarbij komt dat de bevindingen van de op 27 februari 2007 en 22 januari 2008 afgelegde huisbezoeken in samenhang bezien met de verklaring van verhuurster Rubingh dat het huurcontract een vervalsing betreft en niet door haar bedrijf is afgegeven alsmede de bankafschriften waaruit blijkt dat appellant in 2007 regelmatig geld heeft gepind in de buurt van de [straatnaam adres 1] en niet één keer in de buurt van de Paterswoldseweg, het beeld bevestigen dat appellant niet daadwerkelijk op het adres [adres 2] woonachtig was.

4.1.5. Volgens vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is aan betrokkene om feiten te stellen en zodanig te bewijzen dat in geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende perioden recht op (aanvullende) bijstand bestond. De Raad is van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 1 mei 2006 tot en met 22 december 2007 en van 23 januari 2008 tot en met

7 april 2008 in te trekken, met dien verstande dat appellant van 27 februari 2007 tot en met 19 maart 2007 geen recht op bijstand had is en derhalve intrekking over die periode niet mogelijk is. Tegen de wijze waarop het College van een bevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.1.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand. Tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.1.7. De aangevallen uitspraak I, voor zover betrekking hebbend op periode I, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.2. Beoordelingsperiode II

4.2.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbende hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of uit hun relatie een kind is geboren. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.2.1. Aangezien vaststaat dat appellanten met elkaar gehuwd zijn geweest en dat uit hun relatie kinderen zijn geboren is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.2.2. De Raad is van oordeel dat de huisbezoeken afgelegd op 22 januari 2008, de verklaringen van appellanten in onderlinge samenhang bezien met de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche zoals neergelegd in het rapport van 28 maart 2008 voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. De Raad kent zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van appellante, afgelegd ten overstaan van de Sociale Recherche op 19 maart 2008, dat appellant net voor de geboorte van hun tweede kind op 26 december 2007 is gekomen om appellante en de kinderen te verzorgen en tot het huisbezoek van de fraudecontroleurs op 22 januari 2008 is gebleven. Deze verklaring komt overeen met hetgeen appellante eerder, tijdens het huisbezoek van 22 januari 2008, heeft verklaard, namelijk dat appellant ongeveer een week voor de bevalling bij haar is ingetrokken en niet meer is weggegaan. De verklaringen van appellante vinden steun in die van appellant waar hij toegeeft in de periode hier in geding appellante en de kinderen te hebben verzorgd en vaak op de [adres 1] te zijn geweest. De verklaring van de zwager en zus van appellante leidt de Raad niet tot een ander oordeel nu die verklaring de door appellante afgelegde en ondertekende verklaring op cruciale onderdelen tegenspreekt.

4.2.3. Uit hetgeen onder 4.2.2 is overwogen vloeit voort dat appellanten gedurende de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellanten hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het College geen melding gemaakt. Als gevolg daarvan is aan appellanten over genoemde periode ten onrechte bijstand verleend. Appellanten waren immers geen zelfstandig subjecten van bijstand. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de bijstand van appellanten over deze periode in te trekken. Tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2.4. Uit hetgeen onder 4.2.3 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de gemaakte kosten van de aan appellanten over de periode van 23 december 2007 tot en met 22 januari 2008 individueel verleende bijstand van ieder afzonderlijk terug te vorderen, te weten van appellant € 784,24 en van appellante € 1.021,91. Tevens is het College op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten mede van de ander terug te vorderen. Appellanten hebben de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.2.5. Gelet op het voorgaande komen de aangevallen uitspraken, voor zover betrekking hebbend op periode II, eveneens voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B. Bekkers.