Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-3743 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies wijst de Raad erop dat appellant op de door hem gewenste aspecten niet beperkt is geacht zodat om die reden al niet kan worden gezegd dat die functies niet geschikt zijn voor appellant ook al zouden die aspecten zich daarin mogelijk kunnen voordoen. In de functies worden geen bijzondere eisen gesteld aan de taalvaardigheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3743 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 08/2208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant, die voorheen woonachtig was in Amsterdam, heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd rapporten van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink en de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe beide van 21 oktober 2010.

Het geding is – gevoegd met het geding met zaaknummer 10/6941WIA – ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 september 2011. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

De Raad heeft vervolgens de behandeling van beide zaken gesplitst en doet heden afzonderlijk uitspraak in beide zaken.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam in loondienst bij twee werkgevers als docent beeldende kunst. Daarnaast was appellant werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar. Appellant is op 15 augustus 2005 uitgevallen uit zijn werkzaamheden in dienstbetrekking als gevolg van schouder-, nek- en migraineklachten. Daarnaast was ook sprake van psychische klachten.

2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 6 juni 2007 onderzocht door de verzekeringsarts E.M. Elders. In een rapport van 12 juli 2007 beschreef Elders de medische voorgeschiedenis (auto-ongeval in 2002, waarna linker schouderklachten waarvoor operaties in 2003 en 2005). Bij het lichamelijk onderzoek stelde Elders wat betreft de nek een normale beweeglijkheid en wat betreft de schouders geen beperkingen en een normale kracht vast. Bij het oriënterend psychisch onderzoek waren er volgens Elders geen afwijkingen en geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Omdat de klachten van appellant plausibel doorklonken in anamnese en dagverhaal, achtte Elders appellant niettemin aangewezen op psychisch niet te stresserende arbeid zonder ploegendienst en enigszins de nek en schouders ontziend. Elders legde een en ander vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 juli 2007. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek bij functieduiding een loonverlies van 25% vastgesteld. Hierna legde het Uwv in zijn besluit van 10 augustus 2007 neer dat voor appellant met ingang van 13 augustus 2007 geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

3.1. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer de beschikking over informatie van de huisarts van appellant en de hem behandelend neuroloog. Mede gelet op deze informatie onderschreef Cramer in een rapport van 19 december 2007 de FML. Cramer wees er nog op dat appellant ter hoorzitting van 22 november 2007 wat betreft de migraineaanvallen een hogere frequentie aangaf (wekelijks of vaker) dan in de brief van de neuroloog van 3 oktober 2007 is vermeld (2 à 3 keer per maand). Bij het arbeidskundig onderzoek in deze procedure, waarbij ook de omvang van de maatmanfunctie in loondienst werd gesteld op afgerond 13 uur per week en – met een ruime marge naar boven – de omvang van zijn werk als zelfstandige op 30 uur per week, vervielen enkele aan het besluit van 10 augustus 2007 ten grondslag gelegde functies. Gedeeltelijk nieuwe functieduiding leidde vervolgens tot vaststelling van een loonverlies van 45,51%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 10 juni 2008 (besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2007 gegrond en gaf het Uwv aan dat appellant met ingang van 13 augustus 2008 (lees: 2007) recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

3.2. Onder erkenning van het standpunt van appellant in zijn beroepschrift tegen besluit 1 deelde het Uwv bij besluit van 22 september 2008 (besluit 2) appellant de beslissing over verschillende modaliteiten van zijn WGA-uitkering mee. Dit betrof onder andere de hoogte en duur, het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. Bij besluit van 3 november 2008 (besluit 3) informeerde het Uwv appellant over een wijziging van het dagloon.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de besluiten 1 en 2 gegrond, vernietigde de besluiten 1 en 2 en bepaalde dat de rechtsgevolgen van de besluiten 1 en 2 geheel in stand blijven. Voorts stelde de rechtbank de inkomenseis in de zin van artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA per 13 augustus 2007 vast en verklaarde zij het beroep tegen besluit 3 ongegrond. Ten slotte gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellant van proceskosten en griffierecht.

4.2. De rechtbank oordeelde dat besluit 1 samen met besluit 2 de beslissing op het bezwaar van appellant vormt. Omdat besluit 3 een wijziging inhield van het in besluit 2 vastgelegde dagloon, welke niet volledig tegemoet kwam aan het beroep van appellant, diende het beroep, aldus de rechtbank, geacht te worden mede gericht te zijn tegen

besluit 3.

4.3. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van de besluiten 1 en 2. Aanleiding voor een urenbeperking zag de rechtbank, naast de in de FML opgenomen beperkingen, niet. Daarbij vermeldde de rechtbank het medisch oordeel van Cramer dat er geen sprake was van een aandoening die een sterke energetische beperking opleverde. De rechtbank zag ook geen reden tot twijfel aan de juistheid van de in de FML opgenomen overige beperkingen. In verband met een en ander wees de rechtbank naast de bevindingen van Elders en Cramer erop dat appellant in beroep geen medische informatie heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkt was en dat een urenbeperking zou moeten gelden.

4.4. De rechtbank onderschreef ook de medische geschiktheid van de in de bezwaarprocedure uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daarbij oordeelde de rechtbank dat die geschiktheid voldoende was toegelicht in de arbeidskundige rapporten van 4 juni 2008 en 17 april 2009, onder andere wat betreft het aspect deadlines en productiepieken. Voorts oordeelde de rechtbank met het Uwv dat in deze functies geen bijzondere eisen worden gesteld aan de taalvaardigheid van appellant. Daarbij wees de rechtbank ook op het opleidingsniveau van appellant en op het feit dat hij in Nederland werkzaam was als docent beeldende kunst. Wat betreft de urenomvang van die functies tot 20 uur per week, derhalve meer dan de omvang van de werkzaamheden van appellant in loondienst, wees de rechtbank op artikel 9, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en op het feit dat in de FML geen urenbeperking was opgenomen.

4.5. Ten slotte besliste de rechtbank, mede naar aanleiding van een beroepsgrond over het ontbreken daarvan in de besluiten 1 en 2 en gezien de wijziging van het dagloon bij besluit 3, over vastlegging van de inkomenseis in de aangevallen uitspraak en over de wijziging van het dagloon.

5. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend gronden aangevoerd tegen de aan de besluiten 1 en 2 ten grondslag gelegde medische beoordeling, de medische geschiktheid van de die besluiten dragende functies en de taaleisen daarin.

6.1. De Raad, zich beperkend tot de onder 5 aangegeven punten van geschil, overweegt dat hij geen aanleiding heeft gezien over de medische grondslag van de besluiten 1 en 2 anders te oordelen dan het uitvoerig gemotiveerde – en in overweging 4.3 samengevat weergegeven – oordeel van de rechtbank over die medische grondslag. Ook in hoger beroep is geen medische informatie, afkomstig van bijvoorbeeld de appellant behandelend sector, ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat voor appellant, mede gezien zijn werkzaamheden als zelfstandige, een urenbeperking aangewezen zou zijn. Voorts bieden de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) verdergaand beperkt zou moeten worden geacht – appellant vermeldt bijvoorbeeld de aspecten hoog handelingstempo, aandacht, concentratie, conflicthantering en klantencontact – dan in de FML is vastgelegd.

6.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies wijst de Raad erop dat appellant op de door hem gewenste en in 6.1 vermelde aspecten niet beperkt is geacht zodat om die reden al niet kan worden gezegd dat die functies niet geschikt zijn voor appellant ook al zouden die aspecten zich daarin mogelijk kunnen voordoen.

6.3. Wat betreft de beheersing van de Nederlandse taal onderschrijft de Raad ten volle hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, zoals weergegeven in overweging 4.4 van deze uitspraak van de Raad.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.J. Penning.