Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-5069 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Met het besluit van 17 december 2009 heeft verweerder uitsluitend beslist over de hoogte van de - reeds toegekende - uitkering per 1 januari 2009. Evenals verweerder, is de Raad van oordeel dat geen van de door appellant aangedragen argumenten op de vaststelling van de hoogte van deze uitkering betrekking heeft. Over zaken waarop die argumenten wel betrekking zouden kunnen hebben, is in het besluit van 17 december 2009 niet beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5069 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 augustus 2010, kenmerk BZ01163281, BZ01 WUB 000049 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, geboren in 1935, zijn per 1 december 2000 een periodieke uitkering en een toeslag op grond van de Wubo toegekend. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder bepaald dat de uitkering met ingang van 1 januari 2009 € 335,63 bruto per maand bedraagt. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in de berekening van de uitkering geen onjuistheden zijn aangetroffen, dat appellant tegen die berekening geen argumenten heeft aangedragen en dat over de argumenten die hij wel heeft aangevoerd bij het besluit van 17 december 2009 geen beslissing is genomen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Zowel in bezwaar als in beroep heeft appellant uiteengezet welk leed hemzelf en zijn familie in het toenmalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en de daarop gevolgde Bersiap-tijd is aangedaan. Hij heeft gewezen op de verschrikkingen van die tijd en op de psychische en lichamelijke gevolgen die hij daarvan heeft overgehouden, in verband waarmee hij voor hoge kosten staat.

2.2. Met het besluit van 17 december 2009 heeft verweerder uitsluitend beslist over de hoogte van de - reeds toegekende - uitkering per 1 januari 2009. Evenals verweerder, is de Raad van oordeel dat geen van de door appellant aangedragen argumenten op de vaststelling van de hoogte van deze uitkering betrekking heeft. Over zaken waarop die argumenten wel betrekking zouden kunnen hebben, is in het besluit van 17 december 2009 niet beslist.

2.3. Verweerder heeft het bezwaar dan ook op goede gronden niet ontvankelijk verklaard. Het daartegen gerichte beroep van appellant is ongegrond.

2.4. Het staat appellant overigens vrij om bij verweerder een aanvraag in te dienen ter verkrijging van een tegemoetkoming in de onder 2.1 bedoelde kosten.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) E. Heemsbergen.