Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-3846 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar acht uren per week. Naar het oordeel van de Raad boden de medische adviezen voldoende grondslag voor het bestreden besluit. Zij zijn zorgvuldig opgesteld en in overeenstemming met de feiten zoals deze uit de gedingstukken naar voren komen. Daarmee is ook voor de Raad aannemelijk dat appellante, ondanks haar handicaps, nog altijd tot lichte huishoudelijke werkzaamheden in staat is. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3846 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 juni 2010, kenmerk BZ 9341, JZ/O70/2010 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. Daar is namens appellante verschenen J.T. Latuhihin, wonende te Waalwijk, als haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Bij besluit van 19 augustus 2008 is aan haar toegekend - voor zover hier van belang - een vergoeding van huishoudelijke hulp, ten hoogste vier uur per week.

1.2. In april 2009 heeft appellante verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar acht uren per week. Die aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 23 september 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat appellante niet in de situatie verkeert dat zij vanwege haar gezondheidsklachten is aangewezen op meer dan de eerder toegekende 4 uren huishoudelijke hulp.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Volgens het beleid van verweerder is voor toekenning van een vergoeding voor meer dan vier uur huishoudelijke hulp geen plaats als de betrokkene nog in staat is om licht huishoudelijk werk te verrichten. Gezien de leeftijd van appellante - zij is ouder dan 70 jaar - heeft verweerder bij die beoordeling niet alleen de causale maar de ook de niet-causale gezondheidsklachten van appellante betrokken. Rekening houdend met de totale gezondheidssituatie van appellante is verweerder van mening dat appellante nog in staat is om licht huishoudelijk werk te verrichten.

2.2. Het standpunt van verweerder is in overeenstemming met medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een met betrekking tot onderhavige aanvraag opgemaakt sociaal rapport alsmede op ontvangen informatie van de huisarts van appellante. Verder is de in bezwaar overgelegde verklaring van de zenuwarts A.C. Blom bij de beoordeling meegewogen.

2.3. Naar het oordeel van de Raad boden deze medische adviezen voldoende grondslag voor het bestreden besluit. Zij zijn zorgvuldig opgesteld en in overeenstemming met de feiten zoals deze uit de gedingstukken naar voren komen. Zo heeft appellante aangegeven dat zij zelf (lichte) boodschappen kan doen, nog de stofdoek kan hanteren en zelf ook nog een eenvoudige maaltijd kan bereiden. Als werkzaamheden die zij beslist niet meer kan doen heeft zij aangegeven (vloer) schrobben, bad schoonmaken, tillen, strijken en activiteiten boven de schouderhoogte. Ook uit de verklaring van de zenuwarts Blom komt naar voren dat een aantal huishoudelijke activiteiten wel kunnen worden uitgevoerd, zij het langzamer. Daarmee is ook voor de Raad aannemelijk dat appellante, ondanks haar handicaps, nog altijd tot lichte huishoudelijke werkzaamheden in staat is.

2.4. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet onverkort aan zijn beleid had mogen vasthouden, zijn niet naar voren gekomen. Voor zover appellante stelt dat het beleid voor 70-jarigen verder is versoepeld dan onder 2.1 is aangegeven, heeft de Raad daarvoor geen aanknopingspunten gevonden.

2.5. Voor zover namens appellante ter zitting is aangegeven dat appellante inmiddels als gevolg van een verslechtering in haar gezondheidssituatie (weer) minder huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten, merkt de Raad nog op dat het appellante vrij staat om zich met een nieuwe aanvraag tot verweerder te wenden.

2.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) E. Heemsbergen.