Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-5190 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Een door een betrokkene gemelde gebeurtenis kan niet uitsluitend op grond van zijn verklaring als voldoende vaststaan worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Dergelijke gegevens ontbreken. Dat op zichzelf wel vaststaat dat er (twee) personen zijn gefusilleerd bij de Jaffa-fabriek, kan niet leiden tot de conclusie dat appellant daarbij ook aanwezig is geweest. Met betrekking tot het meemaken van bombardementen op de PEGUS-centrale (of op andere doelen in Utrecht) is de Raad met verweerder van oordeel dat niet is gebleken op welke wijze appellant (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals vereist op grond van artikel 2 van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5190 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 augustus 2010, kenmerk BZ01182053, BZ01 WUB000138 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936, heeft zich in december 2009 tot verweerder gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gewezen op de volgende oorlogsgebeurtenissen:

- het getuige zijn geweest van de beschieting van zijn vader en broer bij hun arrestatie door Duitse soldaten

- het getuige zijn geweest van de executie van vier mannen bij de Jaffa-machinefabriek te Utrecht;

- het meemaken van bombardementen, gericht op de PEGUS-centrale te Utrecht;

- het meemaken van razzia’s.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 23 maart 2010, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

1.3. Het beroepschrift van appellant is uitsluitend gericht tegen het in het kader van de Wubo niet aanvaarden van de door hem genoemde fusillade en de bombardementen.

2. Gelet op hetgeen partrijen in beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht of ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door of namens de vijandelijke bezettende macht.

2.2. Wat betreft het getuige zijn van de fusillade bij de Jaffa-machinefabriek, onderschrijft de Raad het standpunt van verweerder dat geen bevestiging is verkregen dat appellant daarvan getuige is geweest. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn verklaring als voldoende vaststaan worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Dergelijke gegevens ontbreken. Dat op zichzelf wel vaststaat dat er (twee) personen zijn gefusilleerd bij de Jaffa-fabriek, kan niet leiden tot de conclusie dat appellant daarbij ook aanwezig is geweest.

2.3. Met betrekking tot het meemaken van bombardementen op de PEGUS-centrale (of op andere doelen in Utrecht) is de Raad met verweerder van oordeel dat niet is gebleken op welke wijze appellant (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals vereist op grond van artikel 2 van de Wubo. Voor een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang de afstand tussen appellant en de inslagen en explosies, de plaats waar hij zich bevond ten tijde van de inslagen, de aard van de schuilplaats, de materiële schade in de directe omgeving en de vraag of hij zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten. Appellant heeft alleen verklaard dat ramen van de ouderlijke woning zijn gesneuveld. Dit acht de Raad onvoldoende om te kunnen spreken van directe betrokkenheid als hiervoor bedoeld.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) E. Heemsbergen.