Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
09-5974 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning invaliditeitsuitkering(10%) krachtens de AOR. Adviezen zorgvuldig voorbereid. Voldoende medische grondslag. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5974 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], België, (hierna: appellant)

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 23 september 2009, kenmerk 0007147/CAOR (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme, secretaris, en door mr. R.L.M.J. Gielen, tweede secretaris. Van de zijde van verweerster is tevens verschenen G.M. van der Molen, arts, die als geneeskundig adviseur aan verweerster is verbonden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2007 verzocht om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de AOR. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft verweerster appellant op grond van psychische klachten aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. De mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid als gevolg van het oorlogsletsel is vastgesteld op 20%. In overeenstemming daarmee is aan appellant een invaliditeitsuitkering toegekend naar een uitkeringspercentage van 10.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het op deze percentages betrekking hebbende bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. Ingevolge artikel 10 van de AOR - voor zover hier van belang - komt in aanmerking voor een periodieke invaliditeitsuitkering hij die naar het oordeel van verweerster ten gevolge van het hem overkomen oorlogsletsel geheel of voor een belangrijk deel ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid.

Blijkens artikel 18 van de AOR bedraagt de invaliditeitsuitkering - kort gezegd - :

a. in geval van algehele arbeidsongeschiktheid 50% van de in artikel 16 aangegeven grondslag;

b. in geval van gedeeltelijke ongeschiktheid een percentage van die grondslag overeenkomstig een bijbehorende tabel dan wel naar de mate van de verloren geschiktheid tot werken.

3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de besluitvorming van verweerster omtrent eisers invaliditeit in de zin van de AOR in de eerste plaats was gebaseerd op de bevindingen van haar geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch, tijdens een huisbezoek op 11 januari 2008. Laatsch kwam tot de conclusie dat appellant wat betreft de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent geringe tot matige beperkingen ondervond in de rubrieken 1 en 2 (“dagelijkse activiteiten” en “sociaal functioneren”), maar geen beperkingen in de rubrieken 3 en 4 (“concentratie, doorzettingsvermogen en tempo” en “aanpassing aan stressvolle omstandigheden”). Dit leidde tot een indeling in klasse II met een invaliditeitspercentage van 25, waarvan 80% moet worden toegerekend aan causale factoren en 20% aan niet causale factoren, te weten de echtscheiding van de ouders van appellant kort na de oorlog. Aldus kwam Laatsch tot een arbeidsongeschiktheid van 20%.

3.2. Verweerster heeft het bezwaarschrift van appellant voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts G.M. van der Molen. Deze heeft op 19 mei 2009 opnieuw een huisbezoek bij appellant afgelegd. Blijkens zijn rapport was hij van oordeel dat de beperkingen in rubriek 1 onverminderd aanwezig waren, maar dat in rubriek 2 niet meer van beperkingen was gebleken. Daar stond tegenover dat in rubriek 3 inmiddels ook sprake was van geringe tot matige beperkingen, in de vorm van een duidelijke afname van de concentratie en het korte-termijngeheugen, en dat in rubriek 4 inmiddels beperkingen werden vastgesteld op de ondergrens van gering tot matig. Met deze beperkingen dient appellant nog altijd in klasse II te worden geplaatst. Klasse III komt bij lange na niet in beeld en de netto-uitkomst van het advies van Laatsch kan worden gehandhaafd, aldus Van der Molen.

3.3. De Raad acht het bestreden besluit met deze adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid. In aanmerking genomen dat appellant tegenover de opvatting van de geneeskundig adviseurs geen andersluidende medische rapportages heeft geplaatst, moet worden geoordeeld dat verweerster in redelijkheid op de adviezen heeft kunnen afgaan.

3.3.1. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat, aangezien Laatsch beperkingen zag in de rubrieken 1 en 2, en Van der Molen beperkingen heeft geconstateerd in de rubrieken 1, 3 en 4, is komen vast te staan dat appellant in alle vier rubrieken is beperkt. De adviezen van Laatsch en Van der Molen kunnen niet op deze wijze bij elkaar worden opgeteld. Uit het advies van Van der Molen komt duidelijk naar voren dat en waarom de beperkingen in de rubriek 2 zijn weggevallen nadat appellant vanuit een onrustige woonsituatie te Rotterdam was verhuisd naar een rustiger woonklimaat in België. Appellant heeft daar niets dan zijn eigen andersluidende opvatting tegenover gesteld. Tegelijkertijd constateerde Van der Molen een verslechtering in de rubrieken 3 en 4, met als gevolg dat de waardering van het totaal van de beperkingen ongewijzigd is gebleven. Van tegenstrijdigheid in de advisering kan dan ook niet worden gesproken.

3.3.2. Appellant heeft nog gesteld dat verweerster heeft miskend dat, ook al zouden de beperkingen op zichzelf betrekkelijk licht zijn, de specifieke aard van die beperkingen met zich bracht dat hij niet meer in staat was om zijn beroep als directeur van een technisch adviesbureau uit te oefenen. Dit betoog treft evenmin doel. Uit artikel 10 van de AOR volgt immers dat het niet gaat om ongeschiktheid voor het eigen werk, maar om de mate van ongeschiktheid voor passende arbeid. Dit laatste is een (veel) ruimer begrip.

3.3.3. De door verweerster in navolging van haar geneeskundig adviseurs toegepaste aftrek van 20% op het maximale invaliditeitspercentage van 25 in klasse II, zodat een arbeidsongeschiktheid van 20% resteert, houdt eveneens in rechte stand. De Raad leest de medische adviezen aldus, dat de psychische klachten van appellant voor 20% moeten worden toegeschreven aan de echtscheiding van zijn ouders kort na de oorlog, dat er geen enkele zekerheid bestaat dat de moeder zoals appellant vermoedt oorlogservaringen heeft meegemaakt die tot het stranden van het huwelijk hebben geleid en dat daarnaast en los daarvan niet valt in te zien dat de echtscheiding extra beperkingen heeft opgeleverd die tot een hogere score op de AMA schaal zouden kunnen leiden. Daarmee is kennelijk beoogd zowel het handhaven van de indeling in klasse II als het toepassen van een aftrek van 20% op het bij die klasse behorende ongeschiktheidspercentage van

25 te motiveren. Door deze combinatie van twee aspecten kan de advisering op het eerste gezicht wat verwarrend overkomen, maar de Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden om haar voor innerlijk tegenstrijdig of anderszins onjuist te houden.

3.4. In zoverre is het beroep ongegrond.

4. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), door verweerster.

4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

4.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond. Is dan in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Met het oog op de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding dient vervolgens de omvang van de overschrijding te worden vastgesteld. Daarbij vormt in zaken zoals deze de termijn van twee-en-een-half jaar het uitgangspunt (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009, LJN BH1009).

4.3. Voor het geval van appellant betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift is door verweerster op 7 augustus 2008 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer drie jaar en twee maanden verstreken. Dit is meer dan twee-en-een-half jaar. Vanaf de ontvangst door verweerster van het bezwaarschrift tot aan de datum van het bestreden besluit zijn een jaar en anderhalve maand verstreken. Dit betekent een overschrijding van de in beginsel toegestane behandelingsduur in bezwaar met zeven-en-een-halve maand. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om in dit geval van de hiervóór uiteengezette uitgangspunten af te wijken.

Dit betekent dat een schadevergoeding van € 1.000,-- zal worden toegekend.

5. De Raad komt tot de slotsom dat - gelet op het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerster zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zullen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand worden gelaten.

6. De Raad acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 874, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 23 september 2009;

Veroordeelt verweerster tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000, ;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874, ;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. de Jong.

KR