Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
09-3969 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3969 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ede (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2009, 09/564 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D. Brouwer, advocaat te Ede, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Peusem, werkzaam bij de gemeente Ede. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene staat sinds 26 november 1998 ingeschreven op het adres [adres 1] te [gemeente]. Vanaf 27 november 1998 staat [J.] (hierna: [J.]) ook op dit adres ingeschreven. [J.] ontving sinds 24 november 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In de loop van een onderzoek naar autohandel van [J.] ontstonden twijfels over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Naar aanleiding hiervan hebben twee sociaal-rechercheurs van de gemeente Ede op 10 april 2008 een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 1] en is betrokkene verhoord over het mogelijk voeren van een gezamenlijke huishouding met [J.]. Op 17 april 2008 is [J.] hierover verhoord. Verder is aan de hand van bank- en giroafschriften onderzoek verricht naar de financiën van betrokkene en [J.]. De bevindingen zijn weergegeven in een rapport van de Sociale Recherche van 6 juni 2008.

1.3. De resultaten van het onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van [J.] zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 11 juni 2008, voor zover van belang, de bijstand van [J.] met ingang van 18 mei 2002 in te trekken en de over de periode van 18 mei 2002 tot en met 31 januari 2008 gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 13 juni 2008 heeft appellant de kosten van bijstand tot een bedrag van € 59.965,09 mede teruggevorderd van betrokkene.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 juni 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat [J.] over de periode van 18 mei 2002 tot en met 31 januari 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met betrokkene en dat [J.] in strijd met zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft nagelaten daarvan opgave aan appellant te doen. Appellant heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 59, tweede lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake de proceskosten en het griffierecht - het tegen het besluit van 22 januari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 13 juni 2008 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grondslag is om aan te nemen dat tussen betrokkene en [J.] sprake is geweest van wederzijdse zorg en van een financiële verstrengeling.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In het onderhavige geding dient de Raad te beoordelen of ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat in dit geding betrokkene die persoon is, is van belang het antwoord op de vraag of betrokkene ten tijde in geding met [J.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid dan wel de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene en [J.] van 18 mei 2002 tot en met 31 januari 2008 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. De Raad zal zijn beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding daarom beperken tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er in die periode sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en [J.].

4.4. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan. De Raad merkt in dit verband op dat voor het voldoen aan het zorgcriterium niet is vereist dat sprake is van een min of meer gelijke bijdrage in de kosten van de huishouding of van gelijkwaardigheid van de omvang van de over en weer verleende zorg.

4.5. Betrokkene heeft op 10 april 2008 in het onder 1.2 genoemde verhoor verklaard dat [J.] in 1997 bij haar is komen wonen en in november 1998 met haar is meeverhuisd naar het adres [adres 1]. [J.] hoeft geen huur te betalen en er is geen huurovereenkomst opgemaakt. [J.] is er meestal alleen in de weekeinden. Als hij er is, dan gebruikt hij ook de badkamer, het toilet en de keuken. Soms komt hij in de woonkamer televisie kijken en drinkt dan koffie mee. Hij eet ook met betrokkene mee. Af en toe gebruikt [J.] de computer van de zoon van betrokkene. De vaste lasten, zoals gas, water en elektra, worden door betrokkene betaald. Zij doet zelf de huishoudelijke taken in huis en stofzuigt zijn kamer.

4.6. Over de financiën heeft betrokkene verklaard dat zij in 1999 een lening van ƒ. 25.000,-- is aangegaan ten behoeve van [J.], omdat hij dringend geld nodig heeft. Deze lening is naderhand omgezet in een doorlopend krediet bij de Postbank. Hierop moet door betrokkene maandelijks worden afgelost. Het eerste jaar betaalt [J.] de aflossingen niet terug aan betrokkene. Daarna heeft [J.] zijn Postbankpas met pincode aan betrokkene gegeven en haar toestemming gegeven maandelijks fl. 200,--, later € 200,--, van zijn rekening op te nemen. Van dit bedrag is € 170,-- bedoeld voor de aflossing van het krediet en € 30,-- voor kost en inwoning van [J.]. Verder heeft betrokkene aan [J.] geld geleend, dat zij opneemt met haar creditcard van de Postbank. Deze leningen betaalt [J.] haar contant terug. Betrokkene heeft over de contante stortingen op haar Postbankrekening ten behoeve van aflossingen op haar krediet bij PrimeLine waarmee betrokkene zaken als meubels, een wasdroger en een wasmachine heeft gekocht, verklaard dat zij het geld kan hebben opgenomen van de Postbankrekening van [J.]. Voorts heeft betrokkene verklaard dat zij [J.] in 2005 toestemming heeft gegeven om een schade-uitkering van € 9.299,-- in verband met de diefstal van een auto van [J.] door Reaal Verzekeringen op haar bankrekening te laten storten. Tot slot heeft betrokkene verklaard dat [J.] in 2002 met haar toestemming twee auto’s op haar naam heeft laten zetten, zonder dat zij deze auto’s van hem heeft gekocht.

4.7. Ter zitting heeft betrokkene, in afwijking van haar op 10 april 2008 tegenover de Sociale Recherche afgelegde verklaring, verklaard buiten de genoemde € 200,-- die zij maandelijks van de Postbankrekening van [J.] heeft opgenomen, geen andere geldbedragen van hem te hebben ontvangen. De verklaring van 10 april 2008 zou betrokkene onder druk hebben afgelegd. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in beginsel van de juistheid van een tegenover de Sociale Recherche afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen is niet gebleken. De gedingstukken, waaronder het verslag van het verhoor van 10 april 2008, bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. De Raad voegt hieraan nog toe dat betrokkene het proces-verbaal van het verhoor waarin haar verklaring is opgenomen, zonder enig voorbehoud op iedere pagina heeft ondertekend

4.8. De Raad is van oordeel dat uit de voormelde feiten en omstandigheden blijkt van een financiële verstrengeling tussen betrokkene en [J.] die duidt op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene aan [J.] geldbedragen heeft geleend zonder concrete en verifieerbare afspraken over de terugbetaling ervan. In dat licht bezien dienen eventuele onduidelijkheden over de vraag of de contante stortingen door betrokkene op haar bankrekeningen terug te voeren zijn op contante betalingen aan haar door [J.] ter aflossing van door hem van betrokkene geleende geldbedragen of dat deze contante betalingen door [J.] groter waren dan de desbetreffende leningen, voor rekening en risico van betrokkene te komen.

4.9. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat appellant terecht heeft vastgesteld dat tussen betrokkene en [J.] in de hier aan de orde zijnde periode sprake is geweest van wederzijdse zorg en daarmee van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB.

4.10. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond verklaren. Daartoe overweegt de Raad dat betrokkene tegen de bevoegdheid tot medeterugvordering en tegen het gebruik maken van die bevoegdheid door appellant verder geen beroepsgronden heeft aangevoerd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD