Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
08-7385 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Onvoldoende informatie gegeven. Appellant is weliswaar in verzuim, maar hem kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. Op grond van de gedingstukken, in het bijzonder de afschriften die betrekking hebben op de opheffing van de rekeningen, wordt in aanmerking genomen dat de door het College verzochte bewijzen van opheffing pas in december 2007 en januari 2008 beschikbaar zijn gekomen. Appellant heeft dan ook niet binnen de korte hersteltermijn redelijkerwijs kunnen beschikken over het gevraagde bewijs van beëindiging van de desbetreffende rekeningen bij de Postbank. Bovendien was het College op de hoogte van het feit dat appellant bij de Postbank om een verklaring had gevraagd. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7385 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2008, 08/210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 augustus 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvangen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 5 oktober 2007 worden zij in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van hun uitkering uitgenodigd om op 8 oktober 2007 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) te verschijnen. Zij worden verzocht, voor zover hier van belang, afschriften vanaf 1 januari 2007 van hun rekeningen en die van hun kinderen bij de Postbank mee te nemen.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2007 wordt het recht op bijstand van appellant en zijn echtgenote met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort met ingang van 8 oktober 2007. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant en zijn echtgenote naar het gesprek op 8 oktober 2007 niet alle informatie hebben meegenomen waarom is verzocht in de brief van 5 oktober 2007. Het College verzoekt appellant en zijn echtgenote om afschriften van de rekening met nummer [nr.] op naam van [J.] over de periode vanaf 4 januari 2007, de rekening met nummer [nr.] op naam van de ouders/verzorgers van [J. 2] vanaf 2 februari 2007, de rekening met nummer [nr.] op naam van appellant en zijn echtgenote vanaf 15 maart 2007 en de rekening met nummer [nr.] op naam van appellant vanaf 20 april 2007. In het besluit worden appellant en zijn echtgenote in de gelegenheid gesteld om op 29 oktober 2007 op het kantoor van de DWI van de vier voornoemde rekeningen bij de Postbank de afschriften te tonen over de nader gespecificeerde periodes. Daarnaast worden zij verzocht om een verklaring van de Postbank waarin uitleg wordt gegeven over twee stortingen en een afboeking waarbij melding wordt gemaakt van de Postbank NV Bedrijfsrekening.

1.3. Bij brief van 5 november 2007 heeft het College appellant en zijn echtgenote verzocht om op 9 november 2007 op het kantoor van de DWI te verschijnen en het bewijs van beëindiging van de vier hiervoor genoemde rekeningen alsmede de hiervoor bedoelde verklaring van de Postbank mee te nemen. Bij besluit van 28 november 2007 wordt de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 8 oktober 2007. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant en zijn echtgenote niet voldoende informatie hebben gegeven waarom is gevraagd in de brieven van 5 oktober en 15 oktober 2007 en zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om op 9 november 2007 de ontbrekende informatie alsnog te geven. Het besluit van 28 november 2007 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

4.2. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

4.3. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.4. Appellant heeft tegen het besluit van 15 oktober 2007 tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 8 oktober 2007 geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt het antwoord op de vraag of de intrekking van de bijstand ingaande 8 oktober 2007 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.5. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.6. De door het College bij besluit van 15 oktober 2007 aan appellant en zijn echtgenote gevraagde verklaring van de Postbank over de stortingen en de afboeking waarbij melding is gemaakt van de Postbank NV Bedrijfsrekening, betreft informatie die niet eerder aan hen is gevraagd. Met betrekking tot deze nieuwe informatie is appellant naar het oordeel van de Raad dan ook niet in verzuim.

4.7. Het College heeft in het besluit van 15 oktober 2007 appellant en zijn echtgenote verzocht om afschriften over gespecificeerde periodes van de onder 1.2 genoemde rekeningen. Appellant heeft in het gesprek met de DWI op 29 oktober 2007 verklaard alle rekeningafschriften die hij heeft te hebben geleverd, dat alle overige rekeningen zijn geblokkeerd wegens schulden, dat hij geen bewijs heeft dat de rekeningen zijn opgeheven, dat hij aan de Postbank een verklaring heeft gevraagd, maar deze nog niet heeft gekregen. Bij brief van 5 november 2007 heeft het College appellant en zijn echtgenote in de gelegenheid gesteld om op 9 november 2007 op het kantoor van de DWI te komen en het bewijs van beëindiging van de voornoemde rekeningen mee te nemen. Aan dit verzoek om genoemd bewijs heeft appellant op 9 november 2007 niet voldaan. Naar het oordeel van de Raad is appellant hiermee weliswaar in verzuim, maar kan hem daarvan geen verwijt worden gemaakt. Daarbij neemt de Raad op grond van de gedingstukken, in het bijzonder de afschriften die betrekking hebben op de opheffing van de rekeningen met de nummers [nr.] en [nr.], in aanmerking dat de door het College verzochte bewijzen van opheffing pas in december 2007 en januari 2008 beschikbaar zijn gekomen. Appellant heeft dan ook niet binnen de korte hersteltermijn redelijkerwijs kunnen beschikken over het gevraagde bewijs van beëindiging van de desbetreffende rekeningen bij de Postbank. De Raad neemt mede in aanmerking dat het College op de hoogte was van het feit dat appellant bij de Postbank om een verklaring had gevraagd.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het College niet bevoegd was om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 8 oktober 2007 in te trekken.

4.9. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard. De aangevallen uitspraak en het besluit van 21 december 2007 moeten worden vernietigd. Nu het gebrek in het intrekkingsbesluit niet kan worden hersteld, zal de Raad het besluit van 28 november 2007 herroepen.

5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade. Dit verzoek komt voor toewijzing in aanmerking voor zover het de wettelijke rente wegens te late uitbetaling van het door het College verschuldigde bedrag van de bijstand vanaf 8 oktober 2007 betreft. Het College dient bij de als gevolg van deze uitspraak aan appellant te verrichten betaling het bedrag van deze rente vast te stellen en uit te betalen. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is rente verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betaling had moeten plaatsvinden tot aan de dag van algehele voldoening. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

6. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 december 2007;

Herroept het besluit van 28 november 2007;

Wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente toe tot een bedrag te berekenen op de wijze als in onderdeel 5 van deze uitspraak is bepaald;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD