Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-4053 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4053 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2010, 09/5012 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Woudenberg, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 7 november 2008 heeft appellant zich bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) gemeld om bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand aan te vragen. Hij heeft daarbij opgegeven te wonen op het adres [adres 1] te [gemeente] (hierna: uitkeringsadres). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader hebben op 15 januari 2009 en 26 januari 2009 gesprekken met appellant plaatsgevonden en is aansluitend aan het gesprek met appellant op 26 januari 2009 een huisbezoek gebracht aan de woning en de daarbij behorende berging op het uitkeringsadres. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 13 februari 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 13 februari 2009 de aanvraag om bijstand van appellant af te wijzen.

1.2. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet afdoende heeft aangetoond dat hij tot 4 februari 2009 zijn hoofdverblijf hield op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het niet aan hem is om te bewijzen dat hij hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde hier van belang wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Hij had in de woning en in de berging van de woning op het adres immers kleding en administratie liggen. Hij beschikte weliswaar niet over een sleutel van die woning, maar daarvoor heeft hij een plausibele verklaring gegeven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de vaststelling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woonsituatie van de belanghebbende. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld zijn uitspraken van 4 augustus 2009, LJN BJ5146, en van 10 augustus 2010, LJN BN3899) op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. De beroepsgrond van appellant dat op hem niet de last rust aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres treft dan ook geen doel.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie ten tijde hier van belang. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant tijdens een gesprek op 29 december 2008 met een medewerker van de CWI heeft verteld dat hij staat ingeschreven op het adres van zijn broer (het uitkeringsadres) maar feitelijk iedere nacht doorbrengt bij zijn vriendin en hun kind op het adres [adres 2] te [gemeente]. Daarmee heeft hij twijfel gezaaid of hij op het uitkeringsadres woonde. Ook uit het door het College ingestelde onderzoek naar de woonsituatie blijkt niet dat appellant op het uitkeringsadres woonachtig was. De Raad acht daarbij van belang dat is gebleken dat appellant niet beschikte over een sleutel van de woning op het uitkeringsadres en dat in die woning, afgezien van een paar schoenen en een kleine zwarte stoffen tas waarvan de inhoud onbekend is gebleven, geen kleding, administratie of andere persoonlijke zaken van appellant zijn aangetroffen.

4.3. Het feit dat tijdens het huisbezoek in de berging van de woning een weekendtas met kleding van appellant en een zwarte map met administratie op zijn naam is aangetroffen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in die weekendtas geen ondergoed en sokken zijn aangetroffen en dat appellant op 26 januari 2009 melding maakt van het feit dat hij bij zijn vriendin wat jassen, schoenen, broeken en sokken heeft liggen. Voorts deelt de Raad niet het standpunt van appellant dat hij een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij niet over een sleutel van de woning op het uitkeringsadres beschikte. De Raad merkt in dit verband op dat de verklaringen van appellant niet consistent zijn geweest. Op 15 januari 2009 heeft appellant verklaard dat hij die sleutel aan de vrouw van zijn broer heeft gegeven, terwijl hij tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat hij de sleutel aan zijn broer heeft afgestaan en dat zijn broer die sleutel is kwijtgeraakt.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen betekent dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) I. Mos.

RB