Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
09-4861 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een bruikleenauto. De Raad is van oordeel dat het College het bestreden besluit terecht heeft doen steunen op het advies van CIZ van 23 mei 2008. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Dit blijkt ook niet uit de door appellant (in beroep en hoger beroep) overgelegde medische stukken. Uit die stukken blijkt ook niet dat appellant ten tijde in geding geen 50 meter kon lopen om de afstand naar het collectief vervoer te kunnen overbruggen. De Raad verwijst voorts nog naar het beroepschrift van appellant, waarin is aangegeven dat appellant deze afstand met hulp van anderen kan afleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4861 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juli 2009, 08/2702 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 14 februari 2008 een aanvraag ingediend voor een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten en in de kosten van begeleiding. Eveneens op 14 februari 2008 heeft appellant om verstrekking van een bruikleenauto verzocht. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft het College advies ingewonnen bij Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ). De indicatie adviseur L. van Putten en de indicatiearts E. Wagenmaker zijn in hun rapport van 23 mei 2008 tot de conclusie gekomen dat bij appellant, ten gevolge van een chronische interne aandoening, sprake is van een sterk verminderd gezichtsvermogen, een verminderde mobiliteit en een sterk verminderd lichamelijk inspanningsvermogen. Appellant wordt in staat geacht onder begeleiding een loopafstand van circa 50 meter te overbruggen en onder (medische) begeleiding te reizen met een taxi of regiotaxi. Op grond van dit advies heeft het College bij besluit van 3 juni 2008 appellant een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten en de kosten van begeleiding toegekend. Bij afzonderlijk besluit van 3 juni 2008 heeft het College de aanvraag voor een bruikleenauto afgewezen. Het tegen dit laatstgenoemde besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

15 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en voorts dat appellant wegens zijn medische beperkingen niet in staat is de loopafstand tussen zijn huis en de taxi te overbruggen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een brief van zijn huisarts van 8 juni 2011 overgelegd met een opsomming van de bij deze arts ten aanzien van appellant bekende diagnosen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 21 van de op artikel 5, eerste lid, van de Wmo gebaseerde Verordening individuele Wmo voorzieningen van de gemeente Utrecht is bepaald, dat een door het College te verstrekken vervoersvoorziening onder meer kan bestaan uit een voorziening in natura.

4.2. Uit artikel 5.4.2.b van de Beleidsregels Individuele Wmo voorzieningen van de Gemeente Utrecht volgt dat als een vervoersvoorziening in natura onder meer een bruikleenauto kan worden verstrekt indien het reizen met een taxi of rolstoeltaxi niet mogelijk is en een persoon met beperkingen uitsluitend per auto kan reizen.

4.3. De Raad is van oordeel dat het College het bestreden besluit terecht heeft doen steunen op het advies van CIZ van 23 mei 2008. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Dit blijkt ook niet uit de door appellant (in beroep en hoger beroep) overgelegde medische stukken. Uit die stukken blijkt ook niet dat appellant ten tijde in geding geen 50 meter kon lopen om de afstand naar het collectief vervoer te kunnen overbruggen. De Raad verwijst voorts nog naar het beroepschrift van appellant, waarin is aangegeven dat appellant deze afstand met hulp van anderen kan afleggen. Het voorgaande betekent dat het College de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd.

4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD