Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10-2782 TOG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Syndroom van Asperger. Geen aanleiding om aan te nemen dat het Beoordelingsinstrument in onvoldoende mate is toegesneden op kinderen met geestelijke of verstandelijke beperkingen. De medische adviezen van ClientFirst zijn zorgvuldig tot stand gekomen. Geen aanleiding om te twijfelen aan de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts van ClientFirst om op grond van de medische gegevens de zorgbehoefte van een kind vast te stellen. De zorgscore is op goede gronden vastgesteld op vijf punten, zodat appellante niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2782 TOG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] e/v [naam echtgenoot], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2010, 09/3344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door drs. A.R. van Gemert. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd LL.B en door drs. G.A.C.G. Durlinger, arts bij ClientFirst Intermediairs (hierna: ClientFirst) te Zeist.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 21 april 2009 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000) aangevraagd ten behoeve van haar zoon [naam zoon]. Bij [naam zoon], geboren [in] 1994, is sprake van het Syndroom van Asperger.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft ClientFirst op 20 mei 2009 advies aan SVB uitgebracht. In dit advies is geconcludeerd dat [naam zoon] op en na de peildatum 1 april 2008 een score van twee punten heeft, zodat hij niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging of oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Geadviseerd is [naam zoon] op en na de peildatum niet gehandicapt te achten in de zin van de TOG 2000.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2009 heeft SVB de aanvraag van appellante op grond van het in 1.2 genoemde advies met ingang van het tweede kwartaal van 2008 afgewezen.

1.4. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2009 heeft ClientFirst op 30 juli 2009 opnieuw advies uitgebracht aan SVB. In dit advies is de zorgscore op en na de peildatum 1 april 2008 vastgesteld op vier punten. Voor de subcategorieën lichaamshygiëne, gedrag, communicatie en begeleiding buitenshuis is één punt toegekend. Voor de overige subcategorieën zijn geen punten toegekend.

1.5. Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft SVB het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2009 op grond van het in 1.4 genoemde advies ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat met de vastgestelde zorgscore van vier punten niet wordt voldaan aan de minimale zorgscore van zes punten voor 12- tot en met 17-jarigen, zodat appellante niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van SVB dat niet wordt voldaan aan de minimale zorgscore van zes punten onderschreven, met dien verstande dat SVB ook één punt had moeten toekennen voor de subcategorie bezighouden en handreikingen zodat de zorgscore vijf punten bedraagt.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de TOG 2000 tot doel heeft ouders/verzorgers die een zeer ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen, terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel tegemoet te komen.

4.2.1. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

4.2.2. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

4.2.3. In artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, over dat kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.

4.2.4. Bij de beoordeling of sprake is van afhankelijkheid van geregelde oppassing en verzorging als bedoeld in artikel 3, onder a, van de TOG 2000 wordt door SVB, overeenkomstig daartoe opgestelde beleidsregels, gepubliceerd in Stcrt. 2007, 103, vastgesteld of en in welke mate het kind is aangewezen op hulp met betrekking tot de volgende aspecten: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging (de categorie verzorging) en gedragsproblemen, communicatiegebreken, de onmogelijkheid alleen thuis te zijn, begeleiding buitenshuis en handreikingen en begeleiding (de categorie oppassing). Per subcategorie wordt beoordeeld of het kind in sterke of in lichte mate afhankelijk is van hulp, toezicht en begeleiding. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de mate van hulp, toezicht en begeleiding die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft.

4.2.5. SVB hanteert bij die beoordeling een interne uitvoeringsrichtlijn voor deskundigen, het zogenoemde Beoordelingsinstrument TOG (hierna: Beoordelingsinstrument). Dit Beoordelingsinstrument zoekt aansluiting bij de toelichting van de TOG 2000 en de door SVB opgestelde beleidsregels. In het Beoordelingsinstrument wordt een nadere uitwerking gegeven aan de in het beleid genoemde beoordelingsthema’s, waarbij per thema, afhankelijk van de zorgzwaarte, nul, één of twee punten worden toegekend. Om te kunnen spreken van aanzienlijk meer afhankelijk zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd, hanteert SVB voor zover hier van belang een minimale score van zes punten voor kinderen van 12 jaar en ouder.

4.3. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is niet gebleken dat het Beoordelingsinstrument als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Het Beoordelingsinstrument kan in beginsel dan ook als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 worden genomen. De Raad ziet anders dan appellante geen aanleiding om aan te nemen dat het Beoordelingsinstrument in onvoldoende mate is toegesneden op kinderen met geestelijke of verstandelijke beperkingen. In dit verband is namens SVB ter zitting van de Raad terecht naar voren gebracht dat bij bepaalde subcategorieën lichamelijke beperkingen meer op de voorgrond staan en bij andere subcategorieën verstandelijke of geestelijke beperkingen.

4.4. Appellante wijst op de volgende overweging in het besluit van 21 augustus 2009 ten aanzien van de subcategorie alleen thuis zijn: “[naam zoon] kan alleen thuis zijn. U bent dan wel bereikbaar via de mobiele telefoon. Dit leidt tot een zorgscore van 1 punt.” Volgens appellante blijkt hieruit dat SVB voor deze subcategorie één punt heeft toegekend, althans het vertrouwen heeft gewekt dat dit het geval is. De Raad volgt appellante hierin niet, reeds omdat in hetzelfde besluit wordt aangegeven hoe de totale zorgscore van vier punten na de heroverweging van het besluit van 27 mei 2009 is vastgesteld. Daar wordt aangegeven dat voor de subcategorie alleen thuis zijn geen punten worden toegekend. In de conclusie van het besluit staat eveneens aangegeven dat de totale zorgscore vier punten bedraagt, zodat het naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat voor de subcategorie alleen thuis zijn geen punten worden toegekend. De door appellante aangehaalde passage van SVB in het verweerschrift in beroep brengt de Raad niet tot een ander oordeel, omdat dit slechts de letterlijke weergave van de gronden in beroep van appellante betreft.

4.5. Voor zover appellante betoogt dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat dit niet is verricht door personen die deskundig zijn op het gebied van psychische beperkingen, zoals een psycholoog, slaagt dit naar het oordeel van de Raad niet. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de medische adviezen van ClientFirst zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Ook de Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts van ClientFirst om op grond van de medische gegevens de zorgbehoefte van een kind vast te stellen.

4.6. Ten aanzien van de subcategorie eten en drinken overweegt de Raad het volgende. Blijkens het Beoordelingsinstrument worden geen punten toegekend indien het kind zelf kan eten en drinken, zelf een boterham kan klaarmaken, een warme maaltijd kan opscheppen en drinken kan inschenken en eventueel af en toe aansporing nodig is. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam zoon] zelfstandig kan eten en drinken en zelf een boterham kan klaarmaken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is de Raad niet gebleken dat [naam zoon] meer dan af en toe aansporing nodig heeft bij eten en drinken. De Raad is met de rechtbank dan ook van oordeel dat SVB terecht geen punten heeft toegekend voor deze subcategorie.

4.7. Ten aanzien van de subcategorie mobiliteit wordt in het Beoordelingsinstrument opgemerkt dat het moet gaan om een ernstig beperkte loopfunctie uit hoofde van motorische of energetische beperkingen, dus niet in verband met gedrag. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen ziet de Raad, anders dan appellante betoogt, geen grond voor het oordeel dat bij deze subcategorie ook verstandelijke of geestelijke beperkingen in aanmerking moeten worden genomen, temeer nu ook in de toelichting op de TOG 2000 wordt vermeld dat het bij mobiliteit gaat om motorische of energetische beperkingen. Nu vast staat dat bij [naam zoon] geen sprake is van een beperkte loopfunctie uit hoofde van motorische of energetische beperkingen, heeft de SVB terecht geen punten toegekend voor deze subcategorie.

4.8. Met betrekking tot de subcategorie “alleen thuis zijn” overweegt de Raad het volgende. Blijkens het Beoordelingsinstrument worden geen punten toegekend indien het kind meer dan ongeveer 45 minuten alleen thuis kan zijn en in die tijd bijvoorbeeld ook de telefoon kan beantwoorden, zelf iets kan eten en drinken en zichzelf bezig kan houden. Evenals de rechtbank gaat de Raad er van uit dat [naam zoon] één tot twee uur alleen thuis kan zijn, mits zijn ouders dan telefonisch bereikbaar zijn. In dit verband acht de Raad van belang dat in een indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam van 9 april 2009 staat vermeld dat [naam zoon] regelmatig anderhalf uur alleen thuis is en dat dit prima gaat. Voorts acht de Raad van belang dat N. Stigter, begeleider van [naam zoon], bij de telefonische hoorzitting heeft verklaard dat [naam zoon] alleen thuis kan zijn, mits op afstand via de mobiele telefoon controle plaatsvindt. Naar het oordeel van de Raad heeft SVB dan ook terecht geen punten heeft toegekend voor deze subcategorie.

4.9. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de Raad tot de conclusie dat de zorgscore voor [naam zoon] op en na de peildatum 1 april 2008 vijf punten bedraagt en dat appellante daarom niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van

J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. van Dam.

HD