Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
09-4912 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ligt op de weg van het College om aannemelijk te maken dat appellant door zijn gedragingen niet of onvoldoende zijn verplichting tot het gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening is nagekomen. Het College is daarin niet geslaagd. De Raad komt tot de conclusie dat het besluit van 14 november 2008 onzorgvuldig is voorbereid en een toereikende feitelijke grondslag ontbeert. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 21 mei 2008 herroepen. De herroeping brengt mee dat het College over de maand mei 2008 een nabetaling van bijstand aan appellant moet doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4912 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juli 2009, 08/2102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Namens appellant is mr. Bovenkamp verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 21 mei 2008, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 14 november 2008, heeft het College de bijstand van appellant over de maand mei 2008 verlaagd met 20%. Aan het besluit op bezwaar heeft het College, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant is de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem rustende verplichting om mee te werken aan de hem door het College aangeboden voorziening, het verrichten van werkzaamheden bij McDonald’s, niet of onvoldoende nagekomen. Nadat appellant gedurende zijn plaatsing bij McDonald’s eerder al twee officiële waarschuwingen had gehad vanwege het niet verschijnen op zijn werk en het ingeklokt zijn zonder aan het werk te zijn, is hij bij het derde incident op 9 april 2008 direct weggestuurd. Bij dit derde incident was er onenigheid over een bestelling en heeft appellant gescholden en met spullen gegooid. Uit de rapportage van 16 april 2008 en het gestelde in bezwaar is gebleken dat er frictie bestond tussen appellant en sommige collega’s. Het had op de weg van appellant gelegen om de problemen direct aan de contactpersoon van de Sociale Dienst kenbaar te maken, zodat direct had kunnen worden bijgestuurd. Hierin is appellant tekort geschoten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij bestrijdt dat hij zich verwijtbaar heeft gedragen. Er is op 9 april 2008 een woordenwisseling tussen hem en een collega geweest in verband met de bestelling van een broodje. De collega beweerde dat hij had gezegd dat het broodje zonder kaas moest worden geserveerd, hetgeen appellant bestrijdt. Er ontstond een woordenwisseling tussen beiden, maar appellant heeft niet gescholden en evenmin met spullen gegooid. In de rapportage staat dat leidinggevende [naam leidinggevende] (hierna: [naam leidinggevende]) bij het incident aanwezig was, terwijl later is gebleken dat dit niet het geval was. Onduidelijk is waarom [naam leidinggevende] eerst de indruk wekte dat hij wel aanwezig was en ook waarop zijn wetenschap over het incident op 9 april 2008 is gebaseerd. Appellant heeft in het begin een schriftelijke waarschuwing gehad vanwege onjuist inklokken. Hij wist niet dat hij pas mocht inklokken nadat hij was omgekleed in de voorgeschreven werkkleding. Omdat hij hiervan niet op de hoogte was, heeft [naam leidinggevende] de schriftelijke waarschuwing verscheurd. Appellant bestrijdt voorts dat hij een keer niet op zijn werk zou zijn verschenen en daarvoor een waarschuwing heeft gehad. Er is hierover geen stuk overgelegd en evenmin is duidelijk wanneer dit zou zijn gebeurd. [naam leidinggevende] had met de lezing van de feiten van appellant moeten worden geconfronteerd. Uit de door het College overgelegde telefoonnotitie van 30 oktober 2008 van het gesprek met [naam leidinggevende] blijkt niet dat dit is gebeurd. De beschikbare gegevens verschaffen onvoldoende zekerheid over de ware toedracht, zodat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en op een onvoldoende feitelijke grondslag berust. Subsidiair stelt appellant dat de maatregel onvoldoende is afgestemd op de mate waarin hem zijn gedrag kan worden verweten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In onderhavig geschil gaat het om een voor appellant belastend besluit. Dat betekent dat het op de weg van het College ligt om aannemelijk te maken dat appellant door zijn gedragingen niet of onvoldoende zijn verplichting tot het gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening is nagekomen.

4.2. De Raad is van oordeel dat het College daarin niet is geslaagd. Zoals uit het onder 3 weergegeven standpunt van appellant blijkt, zijn de aan appellant verweten gedragingen door hem gemotiveerd en op gedetailleerde wijze bestreden. Gelet op de door appellant gegeven lezing van de feiten had het op de weg van het College gelegen nader onderzoek te verrichten. Weliswaar is op 30 oktober 2008 nader contact opgenomen met [naam leidinggevende], maar uit de telefoonnotitie van dit gesprek blijkt op geen enkele wijze dat hij daarbij is geconfronteerd met hetgeen appellant heeft gesteld. De Raad komt tot de conclusie dat het besluit van 14 november 2008 onzorgvuldig is voorbereid en een toereikende feitelijke grondslag ontbeert.

4.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het besluit van 14 november 2008 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit van 21 mei 2008 herroepen. Daarbij is van belang dat gemachtigde van het College ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard geen mogelijkheden te zien thans nog nader onderzoek te verrichten. De herroeping brengt mee dat het College over de maand mei 2008 een nabetaling van bijstand aan appellant moet doen.

5. De Raad ziet voorts aanleiding voor toewijzing van het verzoek van appellant om het College te veroordelen tot vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen bijstand. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betaling had moeten plaatsvinden tot aan de dag van algehele voldoening. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 november 2008;

Herroept het besluit van 21 mei 2008;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bijstand, te berekenen op de wijze als onder 5 van deze uitspraak is weergegeven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.932,--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) I. Mos.

HD