Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
0/2957 WWB + 10/2958 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Geen strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van art. 6 EVRM zich niet tot appellanten uitstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2957 WWB

10/2958 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante), en [Appellant], wonende te [woonplaats 2] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2010, 09/5878 en 09/5879 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nrs. 10/1067 AOW en 10/1069 AOW, plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok, werkzaam bij de gemeente Amstelveen. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving geruime tijd bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand werd vanaf 1 maart 2002 verleend ter aanvulling van haar - in verband met niet verzekerde jaren gekort - ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante had ten tijde in geding een woning in [woonplaats 1], appellant een woning in [woonplaats 2]. De zus van appellante was getrouwd met appellant en is [in] 2002 overleden.

1.2. Naar aanleiding van door de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb) verstrekte informatie dat appellante al jaren met haar zwager (appellant) samenwoont, heeft de afdeling Controle & Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben in juni en juli 2008 waarnemingen plaatsgevonden, zijn als getuigen gehoord een bewoner uit de omgeving van de woning van appellante en twee bewoners uit de omgeving van de woning van appellant en zijn appellanten op 8 juli 2008 als verdachten verhoord door een sociaal rechercheur van de DWI en een sociaal rechercheur van de Svb.

1.3. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 29 september 2008, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 13 juli 2009 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2008 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 28.482,63 bruto. Bij besluit van dezelfde datum heeft het College dit bedrag mede teruggevorderd van appellant.

1.4. Bij besluit van 6 november 2009 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 13 juli 2009 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen het besluit van 6 november 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep evenals in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

- Van een gezamenlijke huishouding was geen sprake, omdat appellant nooit zijn hoofdverblijf heeft verplaatst van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1].

- Zo er al sprake was van een gezamenlijke huishouding, dan was dat pas het geval vanaf medio 2007, toen de situatie zich voordeed dat appellant zes nachten per week bij appellante sliep. Het standpunt van het College dat appellant al vanaf juli 2004 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante is uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van appellanten, maar aan die verklaringen komt geen bewijskracht toe. In de eerste plaats niet, omdat tijdens de verhoren (ontoelaatbare) druk op appellanten is uitgeoefend, in het bijzonder op appellante. Gelet op de lange duur van het verhoor, in samenhang met haar kwetsbare gezondheid, was het verhoor te zwaar voor haar. Als gevolg daarvan heeft appellante verklaringen afgelegd die niet stroken met de werkelijkheid. Bovendien is de in het proces-verbaal van het verhoor opgenomen verklaring niet geheel in overeenstemming met wat appellante heeft verklaard, hetgeen zij als gevolg van de lange duur van het verhoor niet heeft onderkend. In de tweede plaats komt aan de door appellanten afgelegde verklaringen geen bewijskracht toe, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan hun verhoren een raadsman te raadplegen. Hierbij is gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 27 november 2008, LJN BH0402 (hierna: Salduz-arrest). Dat pas medio 2007 sprake was van een omslagpunt blijkt uit het waterverbruik in beide woningen vanaf 2003.

- De regelgeving en informatievoorziening over het begrip ‘gezamenlijke huishouding’ is dermate vaag en onduidelijk dat het met terugwerkende kracht intrekken en terugvorderen van de bijstand van appellante in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor bijstandsgerechtigden is niet duidelijk wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding en wanneer niet. Appellante ging er vanuit dat in haar geval geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens de processen-verbaal van verhoor die de sociaal rechercheurs van de Svb en de DWI op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte hebben opgemaakt, hebben appellanten beiden, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Appellant slaapt zes nachten per week bij appellante in [woonplaats 1]. Dinsdag en donderdag zijn appellanten samen in [woonplaats 1]. Appellant werkt op maandag, woensdag en vrijdag. Op zaterdag en zondag brengen appellanten een deel van de dag bij appellant in [woonplaats 2] door. Deze situatie is zo sinds één of anderhalf jaar na het overlijden van de zus van appellante. Appellante heeft nog verklaard dat appellant eigenlijk alleen niet bij of met haar is als hij naar zijn werk gaat of soms de vrijdagavond in zijn eigen huis blijft.

4.2. De Raad stelt vast dat appellanten de processen-verbaal van verhoor per pagina hebben ondertekend en dat hun verklaringen gedetailleerd en consistent zijn en volledig met elkaar overeenstemmen. Dat de verhoren in de visie van appellanten lang hebben geduurd en dat appellante het tijdens het verhoor koud had en, naar zij stelt, een kwetsbare gezondheid heeft, is naar het oordeel van de Raad noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang voldoende om aan te nemen dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Daarnaast bieden de stukken geen aanknopingspunten voor de stelling van appellanten dat de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen afwijken van wat zij werkelijk hebben verklaard.

4.3. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellanten niet in hun betoog dat zij, gelet op het Salduz-arrest, ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan de verhoren een raadsman te raadplegen. In lijn met hetgeen is overwogen in zijn - ook door de rechtbank genoemde - uitspraak van 19 mei 2009, LJN BI6036, wijst de Raad er in dit verband op dat het in zaken als de onderhavige, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde zijn, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellanten uitstrekt.

4.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College de door appellanten op 8 juli 2008 afgelegde verklaringen aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De Raad is tevens met de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen, waarvan de kern is weergegeven onder 4.1, een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de gehele in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellante. Dat appellant in de visie van appellanten zijn hoofdverblijf nooit heeft verplaatst van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1], omdat hij zijn woning in [woonplaats 2] feitelijk gebruikte en daar bezoek kreeg en post ontving, maakt dit niet anders.

4.5. Nu op grond van de verklaringen van appellanten reeds volgt dat in de in geding zijnde periode sprake was van hoofdverblijf van appellanten in dezelfde woning, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de gegevens over het waterverbruik in de woningen van appellanten. Bovendien komt aan deze gegevens niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien, omdat van de kant van appellanten ter zitting van de Raad is verklaard dat de zoon van appellant, die in een instelling verbleef, een deel van de in geding zijnde periode elke dag langdurig bij appellant douchte.

4.6. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante zich niet met vrucht kan beroepen op onduidelijkheid en/of vaagheid van de regelgeving en informatievoorziening over het begrip ‘gezamenlijke huishouding’. Op appellante rustte immers de verplichting om tijdig juiste informatie over haar woon- en leefsituatie door te geven en zij had kunnen en ook moeten onderkennen dat haar woon- en leefsituatie op enig moment van dien aard was dat deze van invloed zou kunnen zijn op haar bijstandsuitkering. Appellante is zich van dit laatste overigens ook terdege bewust geweest, zo blijkt uit bepaalde uitlatingen die zij tijdens het verhoor op 8 juli 2008 heeft gedaan en die zijn weergegeven in rechtsoverweging 2.8.5 van de aangevallen uitspraak. De omstandigheid dat appellante niettemin nooit aan het College heeft gemeld dat appellant het merendeel van de week, waaronder zes nachten, bij haar verbleef, komt dan ook voor haar risico. Evenals de rechtbank wijst de Raad er in dit verband nog op dat, zo er voor appellante al onduidelijkheid was over de reikwijdte van het begrip ‘gezamenlijke huishouding’, het op haar weg had gelegen om daarover informatie in te winnen bij het College.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD