Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10/1067 AOW + 10/1069 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ouderdomspensioenen naar de norm voor ongehuwden. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1067 AOW

10/1069 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante), en [Appellant], wonende te [woonplaats 2] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2010, 09/764 en 09/765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nrs. 10/2957 WWB en 10/2958 WWB, plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Blom. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 maart 2002 een - in verband met niet verzekerde jaren gekort - ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) naar de norm voor ongehuwden. Appellant ontving vanaf 1 maart 2007 een volledig ouderdomspensioen ingevolge de AOW naar de norm voor ongehuwden. Appellante had ten tijde in geding een woning in [woonplaats 1], appellant een woning in [woonplaats 2]. De zus van appellante was getrouwd met appellant en is [in] 2002 overleden.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante al jaren op haar adres samenwoont met haar zwager (appellant), heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte AOW-pensioenen. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben drie korte waarnemingen plaatsgevonden, zijn gegevens over het waterverbruik op de adressen van appellanten opgevraagd, zijn als getuigen gehoord een bewoner uit de omgeving van de woning van appellante en een bewoner uit de omgeving van de woning van appellant en zijn appellanten op 8 juli 2008 als verdachten verhoord door een sociaal rechercheur van de Sociale verzekeringsbank en een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is gesloten op 30 september 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij twee afzonderlijke besluiten van 28 juli 2008 de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van juli 2004 (appellante) en maart 2007 (appellant) te herzien en nader vast te stellen naar de norm voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een ander.

1.4. Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 september 2008 heeft de Svb de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van september 2008 wederom herzien en nader vastgesteld naar de norm voor ongehuwden.

1.5. Bij twee afzonderlijke besluiten van 17 februari 2009 heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 28 juli 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar de bevindingen van de door het door Svb verrichte onderzoek, dat appellanten sinds juni 2004 een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van

17 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep evenals in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

- Van een gezamenlijke huishouding was geen sprake, omdat appellant nooit zijn hoofdverblijf heeft verplaatst van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1].

- Zo er al sprake was van een gezamenlijke huishouding, dan was dat pas het geval vanaf medio 2007, toen de situatie zich voordeed dat appellant zes nachten per week bij appellante sliep. Het standpunt van de Svb dat appellant al vanaf juni 2004 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante is uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van appellanten, maar aan die verklaringen komt geen bewijskracht toe. In de eerste plaats niet, omdat tijdens de verhoren (ontoelaatbare) druk op appellanten is uitgeoefend, in het bijzonder op appellante. Gelet op de lange duur van het verhoor, in samenhang met haar kwetsbare gezondheid, was het verhoor te zwaar voor haar. Als gevolg daarvan heeft appellante verklaringen afgelegd die niet stroken met de werkelijkheid. Bovendien is de in het proces-verbaal van het verhoor opgenomen verklaring niet geheel in overeenstemming met wat appellante heeft verklaard, hetgeen zij als gevolg van de lange duur van het verhoor niet heeft onderkend. In de tweede plaats komt aan de door appellanten afgelegde verklaringen geen bewijskracht toe, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan hun verhoren een raadsman te raadplegen. Hierbij is gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 27 november 2008, LJN BH0402 (hierna: Salduz-arrest). Dat pas medio 2007 sprake was van een omslagpunt blijkt uit het waterverbruik in beide woningen vanaf 2003.

- De regelgeving en informatievoorziening over het begrip ‘gezamenlijke huishouding’ is dermate vaag en onduidelijk dat het met terugwerkende kracht herzien van de ouderdomspensioenen van appellanten in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor bijstandsgerechtigden is niet duidelijk wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding en wanneer niet. Appellanten gingen er vanuit dat in hun geval geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens de processen-verbaal van verhoor die de sociaal rechercheurs van de Sociale verzekeringsbank en de DWI op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte hebben opgemaakt, hebben appellanten beiden, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Appellant slaapt zes nachten per week bij appellante in [woonplaats 1]. Dinsdag en donderdag zijn appellanten samen in [woonplaats 1]. Appellant werkt op maandag, woensdag en vrijdag. Op zaterdag en zondag brengen appellanten een deel van de dag bij appellant in [woonplaats 2] door. Deze situatie is zo sinds één of anderhalf jaar na het overlijden van de zus van appellante. Appellante heeft nog verklaard dat appellant eigenlijk alleen niet bij of met haar is als hij naar zijn werk gaat of soms de vrijdagavond in zijn eigen huis blijft.

4.2. De Raad stelt vast dat appellanten de processen-verbaal van verhoor per pagina hebben ondertekend en dat hun verklaringen gedetailleerd en consistent zijn en volledig met elkaar overeenstemmen. Dat de verhoren in de visie van appellanten lang hebben geduurd en dat appellante het tijdens het verhoor koud had en, naar zij stelt, een kwetsbare gezondheid heeft, is naar het oordeel van de Raad noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang voldoende om aan te nemen dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Daarnaast bieden de stukken geen aanknopingspunten voor de stelling van appellanten dat de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen afwijken van wat zij werkelijk hebben verklaard.

4.3. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellanten niet in hun betoog dat zij, gelet op het Salduz-arrest, ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan de verhoren een raadsman te raadplegen. In lijn met hetgeen is overwogen in zijn - ook door de rechtbank genoemde - uitspraak van 19 mei 2009, LJN BI6036, wijst de Raad er in dit verband op dat het in zaken als de onderhavige, waarin herziening van ouderdomspensioen aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellanten uitstrekt.

4.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de Svb de door appellanten op 8 juli 2008 afgelegde verklaringen aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De Raad is tevens met de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen, waarvan de kern is weergegeven onder 4.1, een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat appellant vanaf juni 2004 zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellante. Dat appellant in de visie van appellanten zijn hoofdverblijf nooit heeft verplaatst van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1], omdat hij zijn woning in [woonplaats 2] feitelijk gebruikte en daar bezoek kreeg en post ontving, maakt dit niet anders.

4.5. Nu op grond van de verklaringen van appellanten reeds volgt dat in de in geding zijnde periode sprake was van hoofdverblijf van appellanten in dezelfde woning, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de gegevens over het waterverbruik in de woningen van appellanten. Bovendien komt aan deze gegevens niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien, omdat van de kant van appellanten ter zitting van de Raad is verklaard dat de zoon van appellant, die in een instelling verbleef, een deel van de in geding zijnde periode elke dag langdurig bij appellant douchte.

4.6. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten zich niet met vrucht kunnen beroepen op onduidelijkheid en/of vaagheid van de regelgeving en informatievoorziening over het begrip ‘gezamenlijke huishouding’. Op appellanten rustte immers de verplichting om tijdig juiste informatie over hun woon- en leefsituatie door te geven en zij hadden kunnen en ook moeten onderkennen dat hun woon- en leefsituatie op enig moment van dien aard was dat deze van invloed zou kunnen zijn op hun ouderdomspensioenen. Appellante is zich van dit laatste overigens ook terdege bewust geweest, zo blijkt uit bepaalde uitlatingen die zij tijdens het verhoor op 8 juli 2008 heeft gedaan. De omstandigheid dat appellanten niettemin nooit aan de Svb hebben gemeld dat appellant het merendeel van de week, waaronder zes nachten, bij appellante verbleef, komt dan ook voor hun risico. Evenals de rechtbank wijst de Raad er in dit verband nog op dat, zo er voor appellanten al onduidelijkheid was over de reikwijdte van het begrip ‘gezamenlijke huishouding’, het op hun weg had gelegen om daarover informatie in te winnen bij de Svb.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD