Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10-2184 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb. Hoogte uurtarief huishoudelijke hulp. Het door het college toegepaste uurtarief van € 12,20 berust op een ondeugdelijke motivering. De Raad voorziet zelf en stelt voor de berekening van het pgb van appellant ter zake hulp bij het huishouden, het te hanteren uurtarief vast op € 14,25.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/249
RSV 2011/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2184 WMO

11/4102 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2010, 09/867 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader, [naam vader], hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Namens appellant zijn verschenen zijn vader en [naam zus], zijn zus. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door K.M.C.D. de Reus, werkzaam bij de gemeente West Maas en Waal.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is ernstig meervoudig gehandicapt. Hij heeft beperkingen op auditief, visueel, lichamelijk en verstandelijk gebied. Appellant is woonachtig in het [naam instelling] in [gemeente], een kleinschalige woonvorm voor acht volwassenen met een verstandelijke beperking. De bewoners worden begeleid en verzorgd door een inwonend echtpaar. De woonsituatie is vergelijkbaar met die van een groot gezin; er wordt onder meer samen gekookt en gegeten. Appellant is geïndiceerd voor zorg ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Ook is aan appellant een aantal voorzieningen toegekend ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.2. Bij aanvraag van 12 oktober 2007 heeft appellant het College in het kader van de Wmo verzocht om toekenning van een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden.

1.3. Bij besluit van 5 december 2007 heeft het College aan appellant een voorziening toegekend in de vorm hulp bij het huishouden (HH1) voor 3,5 uur per week. De voorziening is toegekend voor de periode van 1 november 2007 tot 1 april 2008.

De hulp is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) ten bedrage van € 1945,84 per jaar.

1.4. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het College - na appellant te hebben gehoord - het tegen het besluit van 5 december 2007 gemaakte bezwaar in afwijking van het advies van de bezwaarschriftcommissie ongegrond verklaard en het besluit van 5 december 2007 onverkort gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 9 december 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het College heeft aan appellant een voorziening toegekend in de vorm van hulp bij het huishouden (HH1) voor 5 uur en 40 minuten per week over de periode van 1 november 2007 tot 29 augustus 2012. De hoogte van het pgb is, uitgaande van een uurtarief van € 12,20, vastgesteld op € 3594,76 per jaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op 27 april 2010 heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Omdat het besluit van 27 april 2010 niet geheel aan appellant tegemoet komt, acht de Raad het hoger beroep op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het besluit van 27 april 2010.

4.1.2. De Raad stelt vast dat uitsluitend nog in geschil is de hoogte van het door het College in het besluit van 27 april 2010 gehanteerde uurtarief van € 12,20. De Raad zal zijn beoordeling daartoe beperken.

4.2. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat overeenkomstig het gemeentelijk beleid een pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op een bedrag per uur, waarmee zorg kan worden ingekocht die gelijkwaardig is aan de zorg in natura. Aanvankelijk hanteerde het College een uurtarief van € 10,69. Dit tarief was gebaseerd op het tarief van € 14,25, waarvoor de gemeente naturazorg heeft kunnen inkopen bij thuiszorginstellingen. Bij het bepalen van het pgb is op het bedrag van € 14,25 25% in mindering gebracht voor overheadkosten van gecontracteerde thuiszorginstellingen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College aangegeven dat het uurtarief is verhoogd tot € 12,20, omdat dit het bedrag is dat thuiszorginstellingen aan alphahulpen betalen.

Van dit bedrag is in het besluit van 27 april 2010 uitgegaan.

4.3. Ten aanzien van de stelling van appellant dat een uurtarief van € 12,20 voor hulp bij huishouden te laag is, merkt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraken van 17 november 2009, LJN BK5008 en BK5105, het volgende op. Het is wat de kwaliteit van de zorg aangaat aan de budgethouder om te kiezen voor de door hem gewenste kwaliteit, met dien verstande dat het tot de verantwoordelijkheid van het College behoort om een zodanig pgb aan te bieden dat de budgethouder in staat wordt gesteld om met zorg in natura, ook in kwalitatieve zin, vergelijkbare zorg bij derden in te kopen. De Raad is van oordeel dat het College op het gecontracteerde uurtarief voor naturazorg ten onrechte een korting van 25% heeft toegepast, nu het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het lagere tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg. Dit klemt temeer gelet op het feit dat appellant zich in een bijzondere situatie bevindt. Appellant woont in een zogeheten [naam instelling] met zeven andere bewoners en een begeleidend echtpaar. De zorgverlening bestaat mede hierin dat appellant onder toezicht deelneemt aan de maaltijdbereiding. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat appellant, gelet op de specifieke situatie in het [naam instelling], deze gekwalificeerde hulp voor een lager tarief dan het maximumuurtarief van € 14,25 kan inkopen.

4.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het in het besluit van 27 april 2010 toegepaste uurtarief van € 12,20 op een ondeugdelijke motivering berust. Dit besluit kan wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand blijven. Dit betekent dat dit besluit dient te worden vernietigd.

4.5. Ter bevordering van de finale geschillenbeslechting ziet de Raad aanleiding om zelf in deze zaak te voorzien. De Raad zal gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen het, voor de berekening van het pgb van appellant ter zake hulp bij het huishouden, te hanteren uurtarief vaststellen op € 14,25.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2010 gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 april 2010;

Voorziet zelf in de zaak op de wijze als onder 4.5 is aangegeven. Veroordeelt het College het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 111,-- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) H.C.P Venema.

(get.) P.J.M. Crombach.

RB