Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10-5304 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5304 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar, van 19 augustus 2010, 09/796 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. ten Have, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als service engineer, is sedert 1987 bekend met lage rugklachten, in 1995 gevolgd door nekklachten en in 2000 door psychische klachten. Sinds 2005 heeft appellant uitstraling in de rechterarm die verdacht is voor een HNP C6-C7. Op grond daarvan is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 24 september 2008 onderzocht door de verzekeringsarts A.J.D. Versteeg. Deze achtte de beperkingen die appellant op grond van zijn klachten heeft deels plausibel, waarbij de frequentie van belasting van de rechterarm beperkt kan worden geacht. Mede gelet op de dagelijkse activiteiten van appellant en zijn mogelijkheid tot autorijden, achtte de verzekeringsarts een volledig gebrek aan benutbare mogelijkheden niet geheel consistent. Bij zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts de inlichtingen betrokken die door de behandelende revalidatiearts, W.M. Scheepstra zijn verstrekt. Op basis van zijn bevindingen is een aantal beperkingen vastgesteld, die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige G. Mauer aan de hand van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem een vijftal functies geselecteerd en is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 65 tot 80%. Bij besluit van 5 november 2008 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 5 januari 2009 herzien en nader gesteld op genoemde mate van arbeidsongeschiktheid.

1.3. Op 12 december 2008 heeft appellant aansluitend aan de hoorzitting het spreekuur bezocht van de bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan. In zijn rapport van 5 januari 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat zijn bevindingen aanleiding hebben gegeven om van het standpunt van de primaire verzekeringsarts Versteeg af te wijken. Volgens de bezwaarverzekeringsarts blijkt sprake van meer statische beperkingen en klachten (rsi-klachten). Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML conform zijn bevindingen bijgesteld. In zijn rapport van 21 januari 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, W.Th. Pompe geconcludeerd dat zijn onderzoek geen aanleiding geeft tot mutatie van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. Bij besluit van 23 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat zij geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts de opgevraagde informatie van de revalidatiearts en de door appellant ingebrachte informatie van de orthopedisch chirurg bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist geacht en geconcludeerd dat de WAO-uitkering terecht met ingang van 5 januari 2009 is verlaagd.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij meer en verdergaande beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat hij grote medische problemen krijgt wanneer hij lange tijd zittend werk moet doen. Volgens appellant kan hij de hem voorgehouden functies van wikkelaar en productiemedewerker industrie niet verrichten, omdat daarbij zijn belastbaarheid wordt overschreden

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De bevindingen en conclusies van deze arts kunnen naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit dragen. De Raad wijst hier op het rapport van Tan van 5 januari 2009, alsmede op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier van 5 juli 2010 waarin is ingegaan op het door appellant in beroep ingenomen standpunt en de door hem ingebrachte informatie van de orthopedisch chirurg J. Steens. In voormelde rapporten hebben beide bezwaarverzekeringsartsen gemotiveerd de stelling betrokken dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven. De Raad is mitsdien van oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat het genoegzaam draagkrachtig is gemotiveerd. In hetgeen door appellant hieromtrent in hoger beroep is aangevoerd en overigens op generlei wijze met nieuwe medisch objectieve gegevens is onderbouwd op welke wijze zijn belastbaarheid in de functies van wikkelaar en productiemedewerker industrie wordt overschreden, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.

5. Hetgeen onder 4.1 is overwogen, leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR