Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
09-4609 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen opgave gedaan van de juiste omvang van werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4609 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven en/of rechtverkrijgenden van wijlen [betrokkene] (hierna: appellanten), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2009, 08/4991 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is [in] 2011 overleden. Mr. Blom heeft bericht dat de procedure namens de erven wordt voortgezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Voor de erven is niemand verschenen. Het College heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. Bisen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft, met een onderbreking, vanaf 1 mei 1992 bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene heeft van september 2001 tot en met - in ieder geval - de periode in geding parttime gewerkt in een souvenirwinkel op het [adres] in [vestigingsplaats]. De betaling van het loon vond per kas plaats.

1.2. In het kader van een themacontrole ‘partieel werkenden’ is door de afdeling Werk & Inkomen van de gemeente Amstelveen in juni 2008 een onderzoek gestart naar betrokkene omdat het vermoeden bestond dat betrokkene meer werkte dan dat hij opgegeven had. In dat kader is onder meer een verificatieonderzoek verricht, zijn bankafschriften bij betrokkene opgevraagd en is hem gevraagd een werkrooster van de maand juni 2008 in te vullen. Verder zijn er die maand waarnemingen verricht bij de souvenirwinkel en is betrokkene op 13 juni 2008 gehoord. Het College heeft op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 24 juni 2008, geconcludeerd dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden heeft ten aanzien van de omvang en de tijdstippen van zijn werkzaamheden en de inkomsten (bestaande uit contanten die op zijn rekening zijn gestort), met als gevolg dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 30 juni 2008, gehandhaafd bij besluit van 11 november 2008, heeft het College de bijstand van betrokkene met ingang van 1 juni 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) onder toepassing van de artikelen 17 en 54, derde lid, onder a van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft het College gevolgd in het standpunt dat betrokkene de inlichtingenverplichting ten aanzien van de omvang en tijdstippen van zijn werkzaamheden heeft geschonden. De rechtbank acht echter onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting inzake de inkomsten.

3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft aangevoerd dat voor de vaststelling van het recht op bijstand niet de uren waarop gewerkt is van belang zijn, maar de inkomsten. Nu de rechtbank - aldus betrokkene - als haar oordeel heeft uitgesproken dat niet gebleken is van schending van de inlichtingenverplichting inzake de inkomsten, was er volgens hem geen grond om de bijstand met toepassing van artikel 17 van de WWB in te trekken. Betrokkene heeft verder betoogd dat artikel 54, derde lid, van de WWB niet aan de intrekking van zijn uitkering ten grondslag gelegd kan worden nu niet is vastgesteld dat de bijstand geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College bij besluit van 30 juni 2008 de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2008 tot en met 30 juni 2008.

4.2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het College op verzoek en onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.2. Artikel 54, derde lid, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.2.3. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenplicht voldoet, is dat volgens vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de onder 4.3 te noemen uitspraak, een grond voor intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand. In zoverre faalt de tweede grond van het hoger beroep.

4.3. Voor de beantwoording van de vraag of betrokkene in de te beoordelen periode recht had op bijstand is niet alleen van belang welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen maar ook welke inkomsten, gelet op de omvang van de werkzaamheden, redelijkerwijs hadden kunnen worden ontvangen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van

28 juni 2011, LJN BR0751.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van T. Moraal van 24 juni 2008 genoegzaam blijkt dat betrokkene zijn werkrooster niet juist heeft ingevuld. Uit elf verrichte waarnemingen in de periode van 1 tot en met 23 juni 2008 is gebleken dat betrokkene alleen op 14 en 21 juni 2008 in het geheel niet verschenen is bij de souvenirwinkel, en dat hij op 11, 12 en 14 juni 2008 op bepaalde uren werkend in de souvenirwinkel is waargenomen, die niet in het werkrooster waren opgegeven. Betrokkene heeft gedurende deze uren op geld waardeerbare werkzaamheden verricht.

4.5. Door aan het College geen opgave te doen van de juiste omvang van zijn werkzaamheden, heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Reeds als gevolg van deze schending is het voor het College niet mogelijk om over de hier aan de orde zijnde periode het recht op bijstand vast te stellen. Appellant heeft immers niet gesteld en onderbouwd hoeveel uren hij in de maand juni 2008 meer heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven en hoeveel hij daarmee extra heeft verdiend of had kunnen verdienen. Het College heeft de bijstand van betrokkene dan ook terecht ingetrokken met ingang van 1 juni 2008. Daarom faalt ook de eerste grond van het hoger beroep.

4.6. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van de erven niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

KR