Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
09-6471 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van vervoer per taxi van haar dochter van en naar school. Onvoldoende medische redenen om te oordelen dat appellante niet de voor de begeleiding benodigde loopafstand zou kunnen afleggen. Het College is in de motivering van het besluit niet ingegaan op het door appellante in de bezwaarfase overgelegde advies van de jeugdarts. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6471 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 oktober 2009, 09/96 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. T.A. Vermolen hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. T.A. Vermolen. Het College is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 21 september 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft een dochter, geboren [in] 1995, die niet zelfstandig aan het verkeer kan deelnemen of met het openbaar vervoer kan reizen. Met ingang van het schooljaar 2008-2009 gaat deze dochter naar de middelbare school. De afstand van huis naar school is ruim twee kilometer. Appellante heeft met een aanvraag van 14 juli 2008 het College verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van vervoer per taxi van haar dochter van en naar school.

1.2. Bij besluit van 22 september 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 december 2008, heeft het College het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van taxivervoer van de dochter afgewezen. Daartoe is, onder verwijzing naar het beleid van de gemeente Tilburg inzake de toekenning van bijzondere bijstand, overwogen dat er een goedkoper alternatief is voor het vervoer van de dochter naar school, te weten dat appellante haar dochter begeleidt per openbaar vervoer. Daarbij is rekening gehouden met de aanwezigheid van bushaltes in de buurt van de woning en de school en het advies van de arts die appellante voorafgaand aan de besluitvorming heeft onderzocht. Bij voormelde besluiten heeft het College bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van maximaal € 763,-- voor de kosten van een jaarabonnement van de bus voor appellante en haar dochter.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 december 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarmee haar beroep ongegrond is verklaard en heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat haar dochter voor schoolbezoek is aangewezen op taxivervoer omdat zij de noodzakelijke begeleiding niet kan bieden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of de in geding zijnde taxikosten moeten worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Niet is in geding dat de dochter onder begeleiding met de bus van en naar school kan reizen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante staat is deze begeleiding te bieden.

4.2. Appellante stelt dat zij vanwege haar voetklachten niet in staat is bij school de afstand van ongeveer vijfhonderd meter van de bushalte naar de school lopend af te leggen. Verder kan appellante deze begeleiding niet bieden op de twee dagen per week dat zij vrijwilligerswerk doet.

4.3. Met betrekking tot de voetklachten overweegt de Raad als volgt. Vast staat dat appellante ten tijde in geding voetklachten had die het lopen bemoeilijkten. Het College heeft ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag in geding advies gevraagd aan een arts, werkzaam bij Van Brederode B.V. Deze arts heeft appellante op 11 september 2008 tijdens een spreekuur gezien en daarbij lichamelijk onderzoek verricht. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een Medisch indicatieadvies Bijzondere bijstand van 12 september 2008 (hierna: het indicatieadvies). In het indicatieadvies is vermeld dat er bij appellante sprake is van pijnlijke, terugkerende en hardnekkige eeltvorming op beide voeten, waardoor het looppatroon wat langzaam is. Desondanks zijn er volgens deze arts onvoldoende medische redenen om te oordelen dat appellante niet de voor de begeleiding benodigde loopafstand zou kunnen afleggen. De pijn die appellante ervaart zou zij met een passende inlegzool voldoende moeten kunnen compenseren. Deze arts is verder van oordeel dat er voor het overige geen medische complicaties zijn als eventueel gevolg van de gemiddelde dagelijkse loop- en stabelasting.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een bestuursorgaan, indien voor het vaststellen van feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het zelf niet beschikt, gebruik maken van advisering door daartoe ingeschakelde adviseur. Indien een dergelijk advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, geen feitelijke onjuistheden bevat en deugdelijk is gemotiveerd, zal het bestuursorgaan zijn besluitvorming op dit advies mogen baseren. Het is dan aan de betrokkene om met bijvoorbeeld een medische verklaring de juistheid van het advies in twijfel te trekken.

4.5. De Raad is van oordeel dat het College zijn besluitvorming op het indicatieadvies heeft mogen baseren. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming betreft of naar haar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Daaraan doet niet af de stelling van appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de arts haar niet heeft gevraagd om haar schoenen uit te doen. De Raad stelt vast dat lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens het advies heeft de arts onder meer vastgesteld dat er onder beide voeten plekken zijn, dat appellante geen speciale zooltjes in haar open schoenen droeg en dat er geen lokale infecties zijn. De Raad ziet daarom in het dossier geen aanknopingspunt om appellante in deze stelling, die niet nader onderbouwd is, te volgen.

4.6. Appellante verwijst naar de brief van 19 november 2008 van een jeugdarts van de gemeenschappelijke gezondheidsdienst Hart voor Brabant (GGD). In die brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld. “Mogelijk kan ze [lees: de dochter] onder begeleiding van een externe volwassene (aangezien begeleiding door uzelf [lees: appellante] niet uitvoerbaar is) met openbaar vervoer reizen; als dit niet kan worden gerealiseerd zal vervoer per auto/taxi het alternatief zijn.” De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat deze zin een medisch oordeel van de jeugdarts over de voetklachten en de beperkingen van appellante bevat. De Raad merkt op dat deze brief het oordeel van de jeugdarts bevat over de mogelijkheden van verkeersdeelname door de dochter. De dochter is onderzocht en met appellante is een gesprek gevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de jeugdarts appellante heeft onderzocht. Gelet hierop bevat deze brief aanknopingspunten om de juistheid van het indicatieadvies in twijfel te trekken.

4.7. Appellante heeft voorts een verklaring van 11 augustus 2011 van haar behandelend podoloog overgelegd. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van appellante een foto getoond van de voetzolen van appellante waarop, overeenkomstig de informatie van de podoloog, likdoorns te zien zijn. Deze informatie kan ook kan geen twijfel oproepen aan de juistheid van het indicatieadvies, reeds omdat deze geen betrekking heeft op de medische situatie van appellante ten tijde van het geding. De verklaring van de huisarts van appellante van 2 september 2008 kan evenmin afdoen aan het indicatieadvies. De huisarts beschrijft immers slechts wat appellante hem verteld heeft en bevat derhalve geen medisch oordeel. Uit hetgeen ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellante is aangevoerd volgt ten slotte dat appellante in de loop der tijd in wisselende mate last had van voetklachten.

4.8. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5 tot en met 4.7 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College zijn besluitvorming op het indicatieadvies mocht baseren.

4.9. Met betrekking tot het vrijwilligerswerk overweegt de Raad als volgt. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellante sinds jaren op twee dagen per week vrijwilligerswerk verricht bij de Inloop in Tilburg. Appellante stelt dat het voor haar welzijn van belang is dat dit niet wordt gewijzigd. Zij heeft een zeer laag IQ en zij heeft daarom een zeer gestructureerde indeling van haar dag nodig. De Raad volgt appellante niet in deze stelling, reeds omdat deze in het geheel niet is onderbouwd, noch met (medische) stukken, noch met een aanduiding van haar werktijden en de samenval met de tijdstippen van het vervoer van en naar school van haar dochter.

4.10. Ten slotte betoogt appellante dat de rechtbank had moeten overgaan tot een veroordeling van het College in de door appellante gemaakte proceskosten. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ondanks schending van een vormvoorschrift, het besluit van 11 december 2008 in stand heeft gelaten. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij zich als gevolg van een motiveringsgebrek niet voldoende heeft kunnen verweren en dat zij zonder dat gebrek nader medisch onderzoek zou hebben laten doen.

4.11. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit geen afdoende kenbare motivering bevat omdat ten onrechte niet is vermeld om welke reden het College niet is meegegaan in het advies van de jeugdarts van de GGD. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of het besluit van 11 december 2008 inhoudelijk in rechte kan stand houden, zodat in dat geval het besluit ondanks schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kon worden gelaten. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat appellante in de loop van de procedure voldoende duidelijkheid heeft gekregen over de feitelijke en juridische grondslag van het besluit en in staat is geweest om zich daarover uit te laten, zodat zij door de instandlating van het besluit niet wordt benadeeld.

4.12. De Raad begrijpt het betoog van appellante aldus dat zij de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestrijdt, dat de rechtbank wegens een motiveringsgebrek het beroep gegrond had moeten verklaren en het besluit had moeten vernietigen en in verband hiermee een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.

4.13. In hoger beroep is onbestreden het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, er in bestaande dat het College in de motivering van het besluit van 11 december 2008 niet is ingegaan op het door appellante in de bezwaarfase overgelegde advies van de jeugdarts. Naar het oordeel van de Raad bood artikel 6:22 van de Awb de rechtbank na het oordeel dat er sprake was van een inhoudelijk motiveringsgebrek geen ruimte om daaraan als schending van een vormvoorschrift voorbij te gaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 december 2008 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Uit hetgeen de Raad onder 4.6 en 4.8 heeft overwogen volgt dat het advies van de jeugdarts aan de juistheid van dat besluit niet kan afdoen. Daarom zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 december 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

HD