Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
09-6385 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met 10%. Gebleken is dat de zoon op het gestelde adres geen eigen kamer, bed of tandenborstel had. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn zoon ten tijde in geding niet zijn hoofdverblijf had bij hem in de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6385 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 oktober 2009, 09/912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant en [H.]

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van den Heuvel. Het College is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote, [H.], ontvangen sinds 16 mei 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 25 oktober 2007 is de uitkering per 1 oktober 2007 verlaagd met 10% van de bijstandnorm in verband met het kunnen delen van de algemene bestaanskosten met hun inwonende meerderjarige zoon [naam zoon] (hierna: zoon). Appellant en zijn echtgenote wonen op het adres [adres 1] in [gemeente 1] (hierna: het adres van appellant). De zoon heeft zich op 1 april 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) laten inschrijven op het adres [adres 2] te [gemeente 1] (hierna: het adres van de zoon). Appellant en zijn echtgenote hebben de Dienst Arbeid en Inkomen van de gemeente Gouda op 6 april 2008 bericht dat hun zoon op 1 april 2008 is verhuisd en hebben verzocht om beëindiging van de verlaging van de uitkering. Het College heeft een onderzoek ingesteld naar deze gegevens. In dat kader heeft het College op 6 mei 2008 en 20 mei 2008 een huisbezoek verricht op het adres van appellant en heeft op 20 mei 2008 een gesprek plaatsgevonden met de echtgenote van appellant. In verband met een aanvraag om bijstand van de zoon heeft het College op 6 mei 2008 een huisbezoek doen afleggen op het adres van de zoon. Daarbij is de zoon op dat adres aangetroffen. De bevindingen uit beide onderzoeken hebben het College tot de conclusie geleid dat de zoon niet verhuisd is (geweest) en ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het adres van appellant.

1.2. Bij besluit van 5 juni 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 december 2008, heeft het College de verlaging van de uitkering met 10% van de bijstandsnorm gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 december 2008 ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, overwogen dat de bevindingen van het huisbezoek op het adres van de zoon, waaronder de totale afwezigheid van persoonlijke spullen van de zoon, de conclusie rechtvaardigen dat de zoon daar niet woonachtig was en dat de bevindingen van het huisbezoek op het adres van appellant de conclusie rechtvaardigen dat aannemelijk moet worden geacht dat de zoon daar nog steeds woonachtig was. Verder is geoordeeld dat het besluit van

9 december 2008 niet in strijd is met de van toepassing zijnde regelgeving, te weten de WWB en de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Gouda 2006.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat in de lijn van vaste rechtspraak de hier te beoordelen periode loopt van 1 april 2008 (datum met ingang waarvan beëindiging van de verlaging van de uitkering is aangevraagd) tot en met 5 juni 2008 (datum primair besluit).

4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de zoon ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellant. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft is volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. Daarom faalt het betoog van appellant dat de vraag waar de zoon woonachtig is moet worden beantwoord naar zijn feitelijke aanwezigheid op zijn adres tijdens het daar gehouden onaangekondigde huisbezoek en niet aan de hand van de door hem in de woning van zijn ouders achtergelaten spullen.

4.3. Nu het hier gaat om een aanvraag om een begunstigend besluit rust volgens vaste rechtspraak, en anders dan appellant betoogt, op hem de bewijslast om de juistheid van zijn stelling dat zijn zoon niet zijn hoofdverblijf had bij hem in de woning aannemelijk te maken. Al hierop stuit het betoog van appellant af dat hij beperkt was in zijn mogelijkheden tot verweer doordat de informatie over het huisbezoek op het adres van de zoon pas in de bezwaarfase aan appellant beschikbaar is gesteld.

4.4. Tijdens het huisbezoek op het adres van appellant is een volledig ingerichte kamer van de zoon aangetroffen die, onder andere door de aanwezigheid van kleding, mobiele telefoons, correspondentie en persoonlijke verzorgingsspullen de indruk wekte dat hij in gebruik was. De echtgenote van appellant heeft desgevraagd verklaard dat in de stapel wasgoed kleding van haar zoon lag en dat zij zijn was verzorgde. Tijdens het huisbezoek kwam de zoon langs om zijn zwemspullen op te halen. Op het gestelde woonadres van de zoon is de zoon aangetroffen en geen andere persoonlijke zaken dan zijn jas en zijn keyboard. Gebleken is dat hij op dat adres geen eigen kamer, bed of tandenborstel had.

4.5. Namens appellant zijn kanttekeningen geplaatst bij bepaalde bevindingen tijdens het huisbezoek op het adres van appellant. Ter zitting van de Raad is aangevoerd dat de administratie van de zoon is aangetroffen op het nachtkastje van zijn broer en dat (op beide adressen) geen post van de zoon is aangetroffen van na 1 april 2008, omdat die post moet zijn geadresseerd aan het nieuwe adres van de zoon en dat de zoon, zoals veel jongens van zijn leeftijd, weinig post ontving. Deze stellingen vinden geen steun in de beschikbare gedingstukken en zijn verder niet onderbouwd, zodat dit niet bij kan dragen aan het bewijs dat appellant dient te leveren.

4.6. Appellant heeft ten bewijze van zijn stelling dat de zoon niet zijn hoofdverblijf had op het adres van appellant verder het volgende naar voren gebracht. De zoon is in de GBA ingeschreven op het adres van de zoon. De hoofdbewoner van die woning heeft verklaard dat de zoon daar woont. De zoon woonde vanwege ruzie met appellant niet meer thuis. Zijn moeder heeft de kamer van de zoon daar in tact gelaten, evenals de kamers van zijn niet meer thuis wonende broer en zus, in de hoop dat hij nog eens zou terugkeren. De zoon heeft wegens ruimtegebrek op het nieuwe adres zijn spullen niet kunnen meenemen.

4.7. De Raad is van oordeel dat appellant hiermee, tegenover de bevindingen op grond van de huisbezoeken die op het tegendeel wijzen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn zoon ten tijde in geding niet zijn hoofdverblijf had bij hem in de woning.

4.8. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

HD