Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
09-6152 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6152 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 oktober 2009, 08/8845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Partijen, waarvan het College met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het College deze uitkering met ingang van 10 juli 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) omdat appellant met ingang van die dag was gedetineerd. Bij dat besluit zijn tevens de kosten van bijstand over de maand juli 2008 tot een bedrag van (netto) € 603,47 van appellant teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het College, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te noemen gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 10 juli 2008 tot en met 14 augustus 2008 ter beoordeling voorligt.

4.2. Appellant betoogt dat hij ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat hij ook tijdens die hechtenis vaste lasten had, waaronder de huur van zijn woning. Volgens appellant heeft het College derhalve in redelijkheid niet kunnen beslissen tot stopzetting van zijn volledige uitkering en had hem in ieder geval bijstand verstrekt moeten worden tot het bedrag van zijn vaste lasten.

4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, bestaat geen recht op bijstand voor degenen, als ten tijde in geding appellant, aan wie door middel van voorlopige hechtenis rechtens de vrijheid is ontnomen, zelfs als het zo is dat, zoals gesteld, maar niet onderbouwd, deze detentie achteraf bezien ten onrechte is geweest. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 december 1991, LJN ZB2131.

4.4. Gelet op het vorenstaande was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd de bijstand met ingang van 10 juli 2008 in te trekken. Het College was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, tevens bevoegd de als gevolg van de intrekking tot een te hoog bedrag verleende bijstand van appellant terug te vorderen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot het oordeel dat het College in redelijkheid niet van deze bevoegdheden gebruik heeft mogen maken.

4.5. De Raad merkt ten slotte nog op dat bij besluit van 6 oktober 2008, op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid, aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening is verleend voor de kosten van het aanhouden van zijn woonruimte in de maanden augustus, september en oktober 2008. Deze toekenning is thans geen onderwerp van geschil en leidt niet tot een ander dan voormeld oordeel van de Raad.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden tot intrekking en terugvordering van de bijstand is overgegaan.

4.7. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

HD