Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
11-1659 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Niet aan de hand van concrete en verifieerbare sollicitaties aangetoond dat appellant wel beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1659 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 maart 2011, 10/3156 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 juli 2009 gaan werken als schoonmaker voor 40 uur per week. Op 6 juli 2009 heeft hij zich ziek gemeld voor zijn werkzaamheden. Met ingang van 2 januari 2010 is appellant ontslagen. Op 26 januari 2010 heeft hij een WW-uitkering aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij niet voor een WW-uitkering in aanmerking wordt gebracht, omdat hij niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant op het wijzigingsformulier WW van 5 februari 2010 bij punt 4.2: ”Ik ben gaan werken of er is een verandering in mijn werkzaamheden” heeft vermeld dat hij op dat moment ziek is en weer aan het werk zal gaan als hij beter is. Op het wijzigingsformulier WW van 11 februari 2010, waarbij hij zijn aanvraag heeft herhaald, heeft appellant bij punt 4.1 van dit formulier: “Ik ga werken in een van de volgende functies”, vermeld: “geen ik ben ziek”. Ook bij punt 4.2 van het wijzigingsformulier van 11 februari 2010 heeft appellant vermeld dat hij sinds augustus 2009 ziek is en dat hij in afwachting is van een maagonderzoek bij het MCH te Den Haag. Uit de stukken blijkt verder, aldus de rechtbank, dat appellant na zijn melding dat hij ziek was en niet kon werken, op 24 februari 2010 door de bedrijfsarts is onderzocht.

In dit rapport is appellants visie over zijn werkhervatting opgenomen, dat hij van mening was dat hij niet kon werken en dat zijn herstelgedrag was gericht op zijn klachten. Op grond van deze gegevens was de rechtbank met het Uwv van oordeel dat appellant door houding en gedrag ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt dat hij niet beschikbaar was voor arbeid en dat het Uwv zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet werkloos was in de zin van de WW. In hetgeen appellant had aangevoerd zag de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat appellant niet met concrete sollicitaties heeft aangetoond dat hij voor arbeid beschikbaar was.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel beschikbaar was om arbeid te aanvaarden en wel wil werken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. De Raad volstaat er mee te verwijzen naar die overwegingen. Voorts heeft appellant ook in hoger beroep niet aan de hand van concrete en verifieerbare sollicitaties aangetoond dat hij ten tijde hier in geding wel beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

4.2. Het hoger beroep kan daarom niet slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK