Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-2569 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerdere intrekking WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2569 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 maart 2010, 09/1056 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bakker voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 juni 1999 heeft het Uwv zijn besluit van 5 november 1998 gehandhaafd, waarbij de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 13 december 1998 is ingetrokken. Bij brief van 9 november 2007 heeft appellant het Uwv verzocht om in verband met nieuwe medische ontwikkelingen terug te komen van zijn besluit van 29 juni 1999. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een advies aan ISD Noordoost overgelegd van 6 februari 2007, opgesteld door psychologe D. Krabbe en arbeidsdeskundige J.T. Zwama, waarin onder meer is gesteld dat de psychische problematiek van appellant dusdanig is, dat van normaal gangbare arbeid geen sprake kan zijn. Appellant heeft verder een Functionele Mogelijkhedenlijst overgelegd, op 16 mei 2007 opgesteld door verzekeringsarts A. van der Weele, en een op basis daarvan in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de Wet Werk en Bijstand (WWB) door die verzekeringsarts opgemaakt rapport van 25 oktober 2007, waarin deze mogelijk trekken van persoonlijkheidsstoornis type A of trekken van borderline persoonlijkheid noemt en zowel fysieke als psychische beperkingen van appellant heeft aangegeven. Appellant heeft ook een rapport van arbeidsdeskundige G. van Lieshout van 25 oktober 2007 overgelegd, uitgebracht aan ISD Noordoost, waarin is geconcludeerd dat de beperkingen van appellant begeleiding naar regulier werk niet mogelijk maakt.

1.2. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 4 februari 2009 afgewezen. Dat besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 28 september 2009 (bestreden besluit). Het Uwv heeft zich op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef het standpunt van het Uwv dat appellant bij zijn verzoek van 9 november 2007 geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld, zoals artikel 4:6 van de Awb vereist. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de beoordeling van psychische aspecten voor de WWB anders is dan voor de WAO, dat de (niet medische) visie van een arbeidsdeskundige op zich onvoldoende is om een nieuw feit aan te nemen en dat appellant zijn standpunt niet (nader) medisch heeft onderbouwd.

3. Appellant heeft aangevoerd dat bij het besluit van 29 juni 1999 uitsluitend rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen, maar dat uit onderzoeken in 2007 is gebleken dat hij ook psychosociale beperkingen heeft waardoor hij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2. De door appellant bij zijn verzoek van 9 november 2007 overgelegde rapporten zijn door een verzekeringsarts en door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv bezien. Beiden zijn tot de conclusie gekomen dat die rapporten geen nieuwe medische feiten en omstandigheden bevatten die betrekking hebben op de medische toestand van appellant per 13 december 1998. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij opgemerkt dat de psychische situatie van appellant in 1998/1999 is gewogen en er sprake lijkt te zijn van een ontwikkeling van boosheid na 1998, terwijl in 2007 sociale en persoonlijkheidsaspecten zijn meegewogen die bij een WAO-beoordeling niet meegewogen mogen worden.

4.3. Uit het rapport van de verzekeringsarts die appellant in het kader van diens arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 1998 heeft onderzocht blijkt dat toen ook een psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft bij oriënterend onderzoek naar bewustzijn, concentratie, stemming, oriëntatie, waarnemen en denken geen afwijkingen gevonden en ook anderszins geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De bevindingen van verzekeringsarts Van der Weele in 2007 duiden er niet op dat de door hem genoemde mogelijke psychische stoornissen ook al op 13 december 1998 bestonden.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant bij zijn verzoek van 9 november 2007 overgelegde stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien van zijn medische toestand per 13 december 1998 bevatten. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. Dit leidt tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) H.L. Schoor.

EK