Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-6510 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6510 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 27 oktober 2010, 09/3810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als imam, is sedert 1997 bekend met depressieve klachten. In augustus 2005 heeft hij zich ziek gemeld vanwege hartklachten. Op grond daarvan is hem met ingang van september 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 17 juni 2008 onderzocht door de verzekeringsarts S. Lok. Deze constateerde dat sprake was van een uitgebreide cardiologische problematiek vanwege vijf stents in vier vaten en een doorgemaakt myocardinfarct. De verzekeringsarts achtte appellant beperkt ten aanzien van fysiek zwaardere belastende activiteiten en stresserende werkzaamheden. Vanwege de cardiale problematiek alsmede vanwege de verstoorde nachtrust achtte de verzekeringsarts het aannemelijk dat appellant verminderde beschikbare energie heeft en een verhoogde recuperatiebehoefte, waardoor een urenbeperking van circa 6 uur per dag en circa 30 uur per week reëel werd geacht. Op basis hiervan is een aantal beperkingen vastgesteld, die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige W.M.H. Ansems aan de hand van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem een viertal functies geselecteerd en is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 45 tot 55%. Bij besluit van 1 december 2008 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 2 februari 2009 herzien en nader gesteld op genoemde mate van arbeidsongeschiktheid.

1.3. Op 11 juni 2009 is appellant aansluitend aan de hoorzitting onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst. In zijn rapport van 8 juli 2009 constateerde deze bezwaarverzekeringsarts, nadat informatie was verkregen van de cardioloog en de psycholoog van appellant, dat de cardioloog in zijn brief van juli 2009 heeft bevestigd dat er een stabiele cardiale toestand bestaat en dat appellant normaal belastbaar is. Bovendien zijn er geen tekenen van zuurstoftekort van de hartspier en is sprake van niet-specifieke thoracale klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de visie van de psycholoog niet gevolgd, omdat appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts een uitgebreid vermijdingsgedrag vertoont met kenmerken van een agorafobie en er zeer duidelijke aanwijzingen bestaan dat sprake is van een zelfstandig angstbeeld. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn de rugklachten van appellant te zien als uiting van de angstklachten dan wel van somatisering. Op grond van zijn bevindingen achtte de bezwaarverzekeringsarts bijstelling van de FML aangewezen, in die zin dat meer beperkingen in de rubrieken I en II van de FML moeten worden aangenomen, terwijl voor een urenbeperking geen reden is. De bezwaarverzekeringsarts kwam tot de conclusie dat appellant met zijn medische beperkingen in staat te achten is om de hem geduide functies te verrichten. Bij besluit van 9 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat zij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat het medische onderzoek niet op voldoende zorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen. Volgens de rechtbank is door de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant en heeft die arts uitgelegd waarom hij ten aanzien van de rugklachten van appellant geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de fysiotherapeut. Aangezien appellant geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht, achtte de rechtbank het niet aangewezen om een onafhankelijke psycholoog of psychiater in te schakelen.

3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de oorzaak van zijn rugklachten nader onderzocht had moeten worden, dat zijn psychische klachten ernstiger zijn dan is aangenomen en hij vanwege zijn angstklachten en depressie door een psycholoog wordt behandeld, en voorts dat het verschil in diagnose van de behandelende psycholoog en de bezwaarverzekeringsarts het inschakelen van een onafhankelijke deskundige rechtvaardigt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De bevindingen en conclusies van deze arts kunnen naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit dragen. De Raad wijst hier op het rapport van Hulst van 8 juli 2009, alsmede op diens rapporten van 24 februari 2010, 19 juli 2010 en 19 januari 2011 waarin Hulst is ingegaan op het door appellant in beroep en hoger beroep ingenomen standpunt en de ingebrachte medische stukken, en waarin door Hulst gemotiveerd de stelling is betrokken dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven. De Raad is mitsdien van oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en is het genoegzaam draagkrachtig gemotiveerd. In hetgeen door appellant hieromtrent in hoger beroep is aangevoerd en overigens op generlei wijze met nieuwe medisch objectieve gegevens is onderbouwd, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.

5. Hetgeen onder 4.1 is overwogen, leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL