Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-5039 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontkenning van ontvangst van uitgereikt besluit. Gelet op de omstandigheden van het geval acht de Raad het aannemelijk dat appellante dit besluit op het spreekuur van de verzekeringsarts (wel) heeft ontvangen. Niet gebleken van verontschuldigbare termijnoverschrijding. Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5039 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 augustus 2010, 10/564 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 7 september 2010 is een verklaring van de zus van appellante overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het hierna genoemde geding, plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Voor appellante is mr. Driessen verschenen. Het Uwv heeft zich, met schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen. In het geding onder nummer 10/4255 ZW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 december 2009 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 december 2009 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd op de grond dat zij per die datum geschikt is voor haar arbeid.

1.2. Appellante heeft bij brief van 22 december 2009 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 5 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend, terwijl niet was gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd om op een geloofwaardige manier de ontvangst van het besluit van 3 december 2009 te ontkennen. Ook de stelling van appellante dat zij niet in staat was (tijdig) een bezwaarschrift in te dienen treft volgens de rechtbank geen doel.

3. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden gehandhaafd. Met name heeft zij vastgehouden aan haar stelling dat zij op 3 december 2009 geen (primair) besluit heeft ontvangen. Zij beroept zich daarbij op de in hoger beroep ingebrachte getuigenverklaring van haar zus. Voorts is aangevoerd dat de bewijsplicht voor de uitreiking van het besluit bij het Uwv ligt en dat er alleen een ambtelijke verklaring ligt, die door meerdere personen is weersproken.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 75k van de ZW bepaalt dat in afwijking daarvan de bezwaartermijn in geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet (voort)bestaan van de ongeschiktheid tot werken twee weken bedraagt. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Indien de geadresseerde stelt dat hij een aan hem gericht besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel aan hem is uitgereikt. Dit is slechts anders indien er voldoende aanwijzingen zijn om de ontvangst van het besluit door de geadresseerde aannemelijk te achten.

4.3. Appellante heeft de ontvangst van het besluit van 3 december 2009 op het spreekuur van de verzekeringsarts N.M.M. Kummeling van dezelfde datum ontkend. Namens appellante is voor het eerst ter zitting van de rechtbank aangegeven dat zij naar aanleiding van een aan haar gerichte waarschuwingsbrief van 15 december 2009 van de Manager Claim [v/d W.] van het Basiskantoor Eindhoven van het Uwv telefonisch contact heeft opgenomen met een medewerker van het Uwv. Desgevraagd ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante dit niet nader kunnen concretiseren. Ook uit het dossier is de Raad van een dergelijk contact niet gebleken. Derhalve acht de Raad het niet aannemelijk dat appellante naar aanleiding van de beweerdelijke reactie alsnog (een afschrift van) het besluit van 3 december 2009 heeft ontvangen.

4.4. De Raad kent geen gewicht toe aan de verklaring van de zus van appellante, dat appellante op het spreekuur geen brief (lees: besluit) heeft ontvangen, reeds omdat zij blijkens het rapport van 3 december 2009 van de verzekeringsarts bij het spreekuurcontact niet aanwezig was. Voorts blijkt uit de adressering en verwoording van het bezwaarschrift onmiskenbaar dat appellante beschikte over het besluit van 3 december 2009. Onder deze omstandigheden acht de Raad het aannemelijk dat appellante dit besluit op het spreekuur van de verzekeringsarts heeft ontvangen.

4.5. Door eerst op 22 december 2009 bezwaar te maken tegen dit besluit heeft betrokkene de bezwaartermijn van twee weken overschreden. Voorts is de Raad evenmin als de rechtbank gebleken van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2009 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ