Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-5556 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de rechtbank ten tijde in geding weliswaar (nog) niet bevoegd was kennis te nemen van het nog ter zake van de kwijtschelding te nemen besluit maar dit in de toekomst nog wel kon worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5556 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2010, 09/1594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij brief van 23 januari 2009 heeft het College aan appellant meegedeeld dat hij nog een totaalschuld heeft van € 33.402,78 aan de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: dienst SZW) wegens ten onrechte verleende bijstand. Op zijn verzoek om informatie over de opbouw van deze schuld zijn hem een vijftal, al eerder aan hem verzonden, besluiten toegezonden. Daarop heeft appellant (deels wederom) bezwaar gemaakt tegen de eerder genomen besluiten tot intrekking en terugvordering. Bij besluit van 15 april 2009 heeft het College deze bezwaren

niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

1.2. Naar aanleiding van het besluit van 15 april 2009 heeft appellant het College/de leden van de algemene bezwaarschriftencommissie bij brief van 1 april 2009 (lees: 1 mei 2009) verzocht hem het bedrag van € 33.402,78 kwijt te schelden. Deze brief is doorgezonden naar de dienst SZW om te beslissen op het verzoek om kwijtschelding. Tevens is een kopie van deze brief op 14 mei 2009 doorgestuurd aan de rechtbank.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het College het verzoek om kwijtschelding afgewezen. Daartoe is overwogen dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bij besluit van 2 oktober 2009 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van de gronden. Tegen die uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Bij uitspraak van de rechtbank van 15 september 2009 is het beroep tegen de - aanvankelijk - als beroepschrift aangemerkte, op 14 mei 2009 doorgezonden brief van 1 mei 2009, kennelijk ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte verzet is bij uitspraak van 29 maart 2010 gegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van voornoemd schrijven als zijnde een beroep gericht tegen het besluit van 15 april 2009 en zo ja, of de termijnoverschrijding in bezwaar al dan niet kan worden gepardonneerd.

2. Bij uitspraak van 9 september 2010 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 april 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is, samengevat, overwogen dat de brief van appellant van 1 mei 2009 enkel is aan te merken als een verzoek om kwijtschelding van de bijstandsvordering(en), dat deze brief geen enkele beroepsgrond bevat ten aanzien van het besluit van 15 april 2009 en dat deze brief ten onrechte door het College is doorgezonden aan de rechtbank om als beroepschrift in behandeling te worden genomen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat het College eerder kennelijk geen bezwaar had tegen het aanmerken van zijn brief van 1 mei 2009 als beroepschrift, dat de rechtbank niet eigenmachtig tot een ander oordeel kan komen en dat de door de rechtbank in de kwijtscheldingszaak gewezen uitspraak van 29 januari 2010 in dit kader niet relevant is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 1 mei 2009 naar zijn inhoud en strekking - uitsluitend - een verzoek om kwijtschelding van een bijstandsvordering bevat. Daarop diende alsnog door het College bij primair besluit te worden beslist, hetgeen nadien ook is gebeurd bij besluit van 6 juli 2009 (zie onder 1.3). De Raad ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze brief tevens als beroepschrift tegen het besluit op bezwaar van 15 april 2009 moet worden opgevat en dus ter verdere behandeling aan de rechtbank diende te worden doorgezonden. De rechtbank heeft zich ter zake bij de aangevallen uitspraak dan ook terecht van een inhoudelijk oordeel onthouden.

4.2. De rechtbank heeft onder de gegeven omstandigheden het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de rechtbank ten tijde in geding weliswaar (nog) niet bevoegd was kennis te nemen van het nog ter zake van de kwijtschelding te nemen besluit maar dit in de toekomst nog wel kon worden.

4.3. De Raad zal overigens afzien van doorzending van deze brief aan het College ter behandeling als verzoek om kwijtschelding aangezien dit destijds al - tegelijk met de doorzending aan de rechtbank - is geschied en inmiddels het ter zake van de kwijtschelding genomen besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD