Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
11-2186 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Niet voldaan aan referte-eis. Gezien dwingendrechtelijke karakter van art. 17, WW is terecht geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2186 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 februari 2011, 10/6738 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. Chr.J.M. Scheen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Voor appellant is verschenen mr. drs. Scheen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft ter zake van zijn op 11 januari 2010 ingetreden werkloosheid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het Uwv appellant geen WW-uitkering toegekend, omdat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij in de 36 weken voor het intreden van zijn werkloosheid in ten minste 26 weken heeft gewerkt.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in de periode van 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan 11 januari 2010 slechts drie weken arbeid heeft verricht en derhalve niet voldoet aan de referte-eis. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat bij de toetsing of voldaan is aan het vereiste van de referte-eis niet de mogelijkheid bestaat om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden. Er is sprake van een gebonden beslissing. Het ontbreken van een belangenafweging kan daarom niet aan het Uwv worden tegengeworpen. Dit brengt met zich dat het Uwv geen rekening kan houden met de voor eiser zeer nadelige financiële gevolgen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv niet, dan wel onvoldoende heeft gekeken naar zijn persoonlijke omstandigheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Partijen zijn het erover eens dat appellant in de referteperiode van 4 mei 2009 tot en met 10 januari 2010 niet in 26 weken heeft gewerkt en daarom niet voldoet aan de referte-eis. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 17 van de WW heeft het Uwv geen ruimte om af te wijken van de in dat artikel neergelegde voorschrift. Appellant is dan ook terecht geen uitkering op grond van de WW toegekend, omdat hij niet aan de wekeneis heeft voldaan.

4.3. Uit het vorengaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) H.L. Schoor.

IvR