Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-6606 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maandelijkse aflossingscapaciteit. Geen beroep ingesteld tegen herzienings- en terugvorderingbesluit. Geen inhoudelijke beoordeling. Geen gronden tegen aflossingscapacteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6606 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2010, 10/1346 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellante is - daartoe opgeroepen - in persoon verschenen. Het Uwv, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 september 2008 is de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien en het als onverschuldigd betaalde bedrag van € 9.189,06 bruto teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 mei 2009 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij een bedrag van € 9.188,89, bestaande uit onverschuldigd betaalde WW-uitkering, in één keer voor 18 november 2009 dient te betalen.

1.3. Nadat appellante te kennen had gegeven dat zij niet in staat was het bedrag in eens te voldoen, heeft het Uwv haar bij besluit van 18 november 2009 meegedeeld dat zij het bedrag van € 9.188,89 in maandelijkse termijnen van € 22,67 dient te betalen. Bij besluit van 23 februari 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en is haar maandelijkse aflossingscapaciteit gehandhaafd op € 22,67.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog, waar appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, als volgt:

“3.1. De rechtbank stelt voorop dat de herziening, de terugvordering (en daarmee de hoogte van het teruggevorderde bedrag van € 9.188,89) reeds vaststaan, aangezien eiseres tegen verweerders beslissing op bezwaar van 14 mei 2009 geen beroep heeft ingesteld. De rechtbank kan de herziening en terugvordering daarom niet inhoudelijk beoordelen. In geschil is nog slechts de invordering van het bedrag van € 9.188,89.

3.2. Eiseres heeft in haar beroepschrift geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van de aan haar opgelegde maandelijkse aflossingsverplichting. Ter zitting heeft eiseres dat ook niet gedaan. Nu ook overigens niet is gebleken dat verweerder niet tot het opleggen van deze maandelijkse aflossingsverplichting mocht overgaan, is het beroep van eiseres ongegrond.”

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de schuld is ontstaan door een fout van het Uwv. Zij zou bovendien slechts € 2.000,- tot 2.500,- teveel aan uitkering hebben ontvangen en niet € 6.000,-. Zij zou daarnaast nog een bedrag van € 3.000,- moeten betalen door een fout van haar toenmalige advocaat, waardoor brutering heeft plaatsgevonden. Zij is niet nalatig geweest bij het invullen van het werkbriefje, maar niemand wilde haar daarbij helpen. Bovendien zou zij recht hebben op één jaar uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers, welke uitkering zij door de fout van het Uwv nooit heeft ontvangen. Dit zou verrekend moeten worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in 2, en neemt deze over.

4.2. Met betrekking tot de grond dat het Uwv slechts bevoegd is tot invordering van hetgeen netto onverschuldigd is betaald, stelt de Raad voorop dat volgens vaste rechtspraak terugvordering plaatsvindt van bruto te veel betaalde bedragen, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Dat is ook het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering (Regeling van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 75, zoals gewijzigd bij Regeling van 21 maart 2001, Stcrt. 2001, 107). In de Beleidsregel terug- en invordering is in dit kader neergelegd dat met terugbetaling van het nettobedrag kan worden volstaan, als wordt terugbetaald binnen hetzelfde lopende belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond. In het geval van appellante heeft het Uwv dan ook het bruto bedrag kunnen invorderen.

4.3. De Raad wijst ter voorlichting van appellante op het volgende. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat uit de stukken blijkt dat appellante wel degelijk heeft getracht aan haar informatieplicht te voldoen door het Uwv op de hoogte te houden van haar werkzaamheden voor [naam werkgever]. Dit betekent dat appellante na drie jaar in aanmerking zou kunnen komen voor kwijtschelding van de schuld, mits zij in die periode aan haar maandelijkse aflossingsverplichting heeft voldaan. Deze termijn is gaan lopen op 7 september 2010, op welk moment de aflossingscapaciteit op nihil is gesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegezegd dat het Uwv appellante schriftelijk nader zal informeren over haar verplichtingen om op 7 september 2013 in aanmerking te kunnen komen voor kwijtschelding.

4.4. Uit het vorengaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) H.L. Schoor.

IvR