Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-427 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van arbeidsverplichtingen tot 14 september 2009. Het College heeft terecht op basis van het medische advies appellante niet over een langere periode dan tot 14 september 2010 ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/427 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2009, 09/121 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 mei 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante ondervindt diverse lichamelijke beperkingen in verband waarmee haar op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB enkele malen ontheffing is verleend van de actieve sollicitatieplicht.

1.2. Bij besluit van 6 november 2008 heeft het College appellante tot 14 september 2010 ontheffing verleend. Blijkens de bijlage bij dit besluit heeft de ontheffing betrekking op de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichtingen. De ontheffing is gebaseerd op een op 15 september 2008 uitgebracht medisch advies van de keuringsinstelling Achmea Arbo. In dat advies is geconcludeerd dat appellante tijdelijk (volledig) arbeidsongeschikt is, maar nog belastbaar voor een sociale activeringsplaats (een traject richting zorg) en wel voor lichte activiteiten in de directe nabijheid van de woning van appellante. Het aantal belastbare uren is vastgesteld op vijf tot tien uur per week. Een herkeuring zou volgens het advies moeten plaatsvinden over 24 maanden.

1.3. Het College heeft het tegen het besluit van 6 november 2008 gemaakte bezwaar bij besluit van 30 december 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Hangende het beroep heeft het College het besluit van 30 december 2008 bij besluit van 15 juni 2009 gewijzigd in die zin dat aan appellante tot 14 september 2009 alsnog ontheffing wordt verleend van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bedoelde verplichtingen. Daarbij is overwogen dat in de directe omgeving van de woning van appellante geen sociale activeringsplaatsen worden aangeboden, zodat (voorlopig) van een plaatsing wordt afgezien. Over een jaar zal worden beoordeeld of in de mobiliteit van appellante iets is gewijzigd, waardoor zij alsnog in aanmerking kan komen voor een sociale activeringsplaats.

1.5. Op 19 oktober 2009 is opnieuw een medisch advies uitgebracht aan het College. In dat kader is appellante uitsluitend belastbaar geacht voor een traject richting zorg. Een herkeuring zou volgens het advies moeten plaatsvinden over 36 maanden.

1.6. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het College het besluit van 30 december 2008 wederom gewijzigd met dien verstande dat de ontheffing als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is verleend tot 14 september 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 30 december 2008 en 15 juni 2009 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit van 11 december 2009 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt door de ontheffing (niet over een langere periode dan) tot 14 september 2010 te verlenen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch advies van 19 oktober 2009 voor het College aanleiding had moeten zijn om haar bij besluit van 11 december 2009 tot 19 oktober 2012 volledige ontheffing te verlenen van alle verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College bij het nemen van het besluit van 11 december 2009 het medisch advies van 19 oktober 2009 uitdrukkelijk niet in de beoordeling heeft betrokken. Dit acht de Raad niet juist. Bij het besluit van 11 december 2009 is alsnog ontheffing verleend voor de duur van twee jaar tot 14 september 2010 en het tussentijds uitgebrachte medisch advies heeft betrekking op de belastbaarheid van appellante op 19 oktober 2009. Het College had bij het nemen van het besluit van 11 december 2009 dit advies derhalve niet buiten beschouwing mogen laten. Dit betekent dat het besluit van 11 december 2009 niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit motiveringsgebrek niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 december 2008 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2. De Raad dient thans nog de vraag te beantwoorden of de rechtsgevolgen van het besluit van 11 december 2009 in stand kunnen worden gelaten. In dat kader is van belang het antwoord op de vraag of het College bij besluit van 11 december 2009 op basis van het medische advies appellante over een langere periode dan tot 14 september 2010 ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB had moeten verlenen, en wel tot 19 oktober 2012.

4.3. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Zoals de Raad reeds eerder in zijn uitspraak van 1 juni 2010, LJN BM7208, heeft overwogen, komt het College beoordelings- en beleidsvrijheid toe bij de bepaling van de termijn van een tijdelijke ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen wegens dringende redenen.

4.4. De keuringsarts heeft in het advies van 19 oktober 2009 geconcludeerd dat appellante tijdelijk arbeidsongeschikt is, maar nog wel voor vijf tot tien uur per week belastbaar is voor een traject richting zorg. In dat kader moet volgens het advies worden bezien of appellante voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht, waarmee zij in staat wordt gesteld om gebruik te maken van de beschikbare mogelijkheden tot het volgen van een traject. Het vorenstaande betekent dat het College bij heronderzoeken periodiek moet bezien of, en zo ja in hoeverre, er aanleiding is om al dan niet opnieuw ontheffing te verlenen van tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen. Dat het College bij het vaststellen van de termijn van de ontheffing is gebleven binnen de bij het besluit van 30 december 2008 gehandhaafde termijn, is in dit licht niet onaanvaardbaar te achten.

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 december 2009 in stand kunnen worden gelaten.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2009 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 437,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD