Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10-5883 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het door appellant overgelegde WSW-rapport geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de rechtbank doorslaggevend geoordeelde medische bevindingen van de door haar geraadpleegde deskundige. Voldoende toegelicht dat appellant in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5883 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2010, 08/2641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.W.C. Bonnet, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonnet, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als asbestsaneerder voor 40 uur per week, is op 2 december 2002 als gevolg van een bedrijfsongeval uitgevallen met hersenletsel. Per einde wachttijd heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 23 december 2005 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, opnieuw arbeidsongeschikt gemeld. Het Uwv heeft per 20 januari 2006 aan appellant een WAO- uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op het spreekuur van 5 september 2007 onderzocht door de verzekeringsarts, die, zoals aangegeven in de rapportage van 7 september 2007, concludeerde dat er ten aanzien van arbeid ruim voldoende te benutten mogelijkheden bestaan, met daarbij beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Het werktempo mag niet hoog zijn, appellant moet niet overvoerd worden met informatie, veel informatie moet opgedeeld worden in kleinere parten, appellant moet eerst activiteiten afmaken alvorens hij start met een nieuwe activiteit, in het aanbieden van informatie dient structuur te zitten en bij meer complexere taken moet hij de mogelijkheid krijgen om zijn doel daarin te zoeken en dan oplossingen te bedenken. Appellant moet ook terug kunnen vallen op leidinggevenden, aldus deze verzekeringsarts. De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op. Na arbeidskundig onderzoek is het verlies aan verdiencapaciteit van appellant vastgesteld op minder dan 15%. Bij de theoretische schatting is appellant onder meer geschikt geacht voor de functies van operator (sbc-code 271093), timmerman 1 (sbc-code 262240) en allround productiemedewerker (sbc-code 264140). In overeenstemming hiermee is de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 22 november 2007 met ingang van 23 januari 2008 ingetrokken.

1.3. In het kader van het tegen het besluit van 22 november 2007 gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 17 april 2008 gezien en na - onder meer - dossieronderzoek geconcludeerd dat er onvoldoende medische redenen zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.

1.4. Bij besluit van 25 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2007 ongegrond verklaard, nu appellant in medisch opzicht geschikt wordt geacht voor de geduide functies.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens waaronder het rapport van 10 april 2009 van de door haar ingeschakelde neuroloog P.J.M. van Wensen, geen redenen zijn te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 23 januari 2008. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de geduide functies voor appellant niet geschikt te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv mitsdien de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op en na

23 januari 2008 terecht vastgesteld op minder dan 15% en de WAO-uitkering van appellant met ingang van die datum terecht ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de deskundige zijn beperkingen heeft onderschat en ten onrechte niet is ingegaan op de conclusies van het door hem in geding gebrachte neuropsychologisch rapport van de Winkler kliniek van 2 oktober 2008, waarin wordt gemeld dat er aanwijzingen zijn voor een depressie en voor cognitieve beperkingen. Sinds 1 oktober 2008 is appellant werkzaam op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) gedurende 4 uur per dag en 16 uur per week, hetgeen appellant zeer vermoeiend vindt. Appellant heeft verwezen naar de rapportage van 28 mei 2009 over zijn functioneren op de Sociale Werkplaats. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de geduide functies niet kan verrichten, gelet op het hoge werktempo en het werken onder tijdsdruk.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde neuroloog Van Wensen heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellant per 23 januari 2008, als neergelegd in de FML van 7 september 2007. De deskundige heeft evenals de verzekeringsartsen geen indicatie gezien voor een urenbeperking.

In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Met de rechtbank is de Raad is van oordeel dat in het geval van appellant daartoe geen aanleiding bestaat. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat de deskundige zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek en op de zich in het dossier bevindende uitgebreide (medische) informatie. Het psychologisch rapport van de Winkler kliniek behoorde tot de gedingstukken waarvan Van Wensen kennis heeft genomen.

De Raad ziet in het door appellant overgelegde WSW-rapport geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de rechtbank doorslaggevend geoordeelde medische bevindingen van voornoemde deskundige. In aanmerking genomen dat appellant met betrekking tot de door hem gestelde psychische klachten op de datum in geding niet onder behandeling was en de verzekeringsartsen geen aanwijzingen hebben gezien voor enige psychopathologie, ziet de Raad geen reden om alsnog een deskundige te benoemen voor het laten uitbrengen van een psychologische dan wel psychiatrische expertise.

4.2. Wat betreft de geschiktheid van appellant voor de geduide functies op en na 23 januari 2008 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat op basis van de rapportage van de arbeidsdeskundige van 9 november 2007 voldoende is toegelicht dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. Ter zitting is er van de zijde van het Uwv op gewezen dat bij de geduide functies geen sprake is van kenmerkende belasting ten aanzien van deadlines of productiepieken en van het handelingstempo. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ