Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
10-2587 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voorziening in de vorm van huishoudelijke zorg. Voor lichamelijke en psychische klachten is behandeling mogelijk ingevolge de Zvw. Het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek is niet onzorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2587 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 maart 2010, 09/1520 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.P.E. van Tulden, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Voor appellante is verschenen mr. M.J.M. van Vugt, advocaat te Roermond en kantoorgenoot van mr. Van Tulden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L.T. Dekkers en mr. A.A.T.M. Brouns.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante heeft rug- en knieproblemen, fibromyalgie, bronchitis, darmklachten, hoofdpijn en psychische klachten mede als gevolg van overbelasting. Als gevolg hiervan ervaart appellante beperkingen ten aanzien van bukken, tillen, spierkracht en reiken. Daarnaast is appellante beperkt in energetisch opzicht en in haar psychische spankracht.

1.3. Bij aanvraag van 18 december 2008 heeft appellante het College verzocht om in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorziening in de vorm van huishoudelijke zorg toe te kennen.

1.4. Op 3 april 2009 heeft D. van Ninhuijs, indicatiesteller bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), aan het College een advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat appellante in staat wordt geacht om de huishoudelijke taken verdeeld over de week en in haar eigen tempo zelfstandig te verrichten. Aangegeven is dat veelal sprake is van niet objectiveerbare klachten en beperkingen en dat er geen classificerende diagnose is gesteld.

1.5. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het College de aanvraag conform het advies van CIZ van 3 april 2009 afgewezen.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 april 2009 heeft M. van der Krans, indicatieadviseur bij CIZ, op 12 augustus 2009 - nader toegelicht op 1 september 2009 - een aanvullend advies uitgebracht. Daarin heeft zij geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht om de huishoudelijke taken verdeeld over de week en in haar eigen tempo zelfstandig te verrichten. Verder is aangegeven dat behandeling van appellante mogelijk is.

1.7. Bij besluit van 17 september 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 april 2009 conform het aanvullende advies van CIZ ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat appellante vanwege haar klachten kan worden behandeld ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw), dat die behandeling voorliggend is op een voorziening op grond van de Wmo en dat appellante reeds daarom niet in aanmerking komt voor een voorziening op grond van de Wmo.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 17 september 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het advies van CIZ zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. CIZ heeft geconcludeerd dat appellante, ondanks haar diverse klachten, niet voor hulp bij het huishouden in aanmerking komt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij meer of andere beperkingen heeft dan de medisch adviseur, ook in onderlinge samenhang, in ogenschouw heeft genomen en die nopen tot compensatie in de zin van artikel 4 van de Wmo. Voor zover appellante zich beroept op het standpunt van de reumaconsulente die heeft aangegeven dat in haar visie hulp bij het huishouden noodzakelijk is om verergering van klachten te voorkomen, volgt de rechtbank haar daarin niet. Bij het medisch advies is immers alle relevante medische informatie betrokken en de mening van de consulente op grond van - mogelijke - therapeutische doeleinden, voegt aan die informatie niets toe, althans leidt niet tot de conclusie dat het advies van CIZ niet houdbaar is.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de advisering door CIZ onzorgvuldig is geweest, omdat geen rekening is gehouden met de diverse klachten en met de combinatie van die klachten. Ook is volgens appellante in de adviezen van CIZ onvoldoende aandacht besteed aan haar persoonlijke situatie in samenhang met haar klachten. Verder heeft appellante gesteld dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat. Vooral de combinatie van haar lichamelijke en psychische klachten is niet juist ingeschat. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de brief van haar reumaconsulente M. Janssen van 25 juni 2009 wel afdoende blijkt dat zij overbelast is en huishoudelijke verzorging nodig heeft.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 6, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke ondersteuning verstaan het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer.

4.3. In artikel 2 van de Wmo is bepaald dat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek niet onzorgvuldig is. De Raad overweegt daartoe dat voorafgaand aan het besluit op bezwaar door CIZ een nieuw advies is uitgebracht. Om tot dat advies te kunnen komen heeft CIZ informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. Het is de Raad niet gebleken dat de door de huisarts verstrekte informatie geen juist en volledig beeld geeft van de gezondheidstoestand van appellante, dan wel dat die informatie anderszins onvoldoende was om tot een deugdelijk advies te kunnen komen. De Raad is voorts niet gebleken dat het CIZ bij het tot stand brengen van zijn advies onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellante, de combinatie van de fysieke en psychische klachten en de sociale situatie van appellante. De grief van appellante ter zake slaagt daarom niet.

4.5. De Raad is overigens van oordeel dat er voor appellante voorliggende voorzieningen openstaan als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. De Raad overweegt dat uit de beschikbare medische informatie - waaronder informatie van de appellante behandelende fysiotherapeut en de in het huisartsenjournaal opgenomen brieven van de appellante behandelende orthopedisch chirurg en revalidatiearts - blijkt dat er mogelijkheden zijn voor behandeling (op grond van de Zorgverzekeringswet). Van appellante mag worden verwacht dat zij gebruik maakt van de haar ten dienste staande behandelmogelijkheden en dat zij zich ten volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) J. van Dam.

IJ