Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
11-1244 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1244 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 januari 2011, 10/381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011, waarvoor appellante is verschenen door mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor het geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad beperkt zich tot het volgende.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 17 augustus 2008 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is te achten en ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de informatie van de behandelend neuroloog en reumatoloog in de beoordeling is betrokken. Het door appellante ingebrachte rapport van 23 augustus 2010 van W.M. van der Boog, verzekeringsarts, leidt volgens de rapportage van 11 november 2010 van bezwaarverzekeringsarts P.J. Kruit, waarmee de rechtbank zich kan verenigen niet tot een andere conclusie. De rechtbank acht verder onder verwijzing naar de rapportage van 19 april 2010 van bezwaararbeidsdeskundige J. Huisman voldoende gemotiveerd dat appellante de haar geduide functies kan vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist en daartoe gesteld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat geen informatie bij de behandelend sector is gevraagd en dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 juni 2008 is volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met haar klachten als gevolg van diabetes mellitus en met haar rug- en beenklachten, gewrichtsklachten, pols-, hand- en vingerklachten en met haar psychische klachten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar het door haar bij de rechtbank ingebrachte rapport van verzekeringsarts Van der Boog. Appellante stelt voorts dat ten onrechte de eerder gehanteerde urenbeperking is komen te vervallen.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is aangevoerd dat de voor appellante geduide functies van receptioniste/ baliemedewerkster, parkeercontroleur en consultatiebureauassistente niet geschikt zijn. In deze functies komen conflictsituaties voor die een structureel en wezenlijk onderdeel van de functie uitmaken. De functies parkeercontroleur en consultatiebureauassistente zijn niet geschikt omdat in deze functies een oneffen grondoppervlak voorkomt dan wel kan voorkomen vanwege een hellende baan of vanwege rommel of speelgoed op de grond.

4.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Ook de Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, waarbij informatie, van de huisarts, neuroloog en reumatoloog, uitdrukkelijk in de beoordeling is betrokken. Voorts ziet ook de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de FML van 12 juni 2008. De Raad wijst in dit verband nog op de rapporten van 4 september 2007 van arts N.M.F. Klein en van 5 juni 2008, 18 maart 2009, 17 juni 2009 en 3 februari 2010 van bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst en van 11 november 2010 van bezwaarverzekeringsarts Kruit. In deze rapporten is uitgebreid ingegaan op de klachten van appellante en is gemotiveerd uiteengezet tot het aannemen van welke beperkingen deze klachten aanleiding geven. Voorts is met de rapporten van 4 september 2007 en 18 maart 2009 door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende toegelicht waarom er geen reden bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. Bovendien heeft appellante geen medische gegevens ingebracht waaruit de door haar bepleite noodzaak tot een urenbeperking zou kunnen blijken.

De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de (bezwaar)verzekeringsartsen niet in hun conclusies te volgen. De Raad merkt in dit verband nog ten slotte op dat overgelegde rapport van Van der Boog onvoldoende gewicht in de schaal legt, nu dit geen overtuigende objectief medische gronden bevat die voldoende steun bieden voor de stellingen van appellante en het rapport in overwegende mate een beschrijvend karakter heeft.

4.2. De Raad heeft, aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen aanleiding om de in aanmerking genomen functies niet in medisch opzicht geschikt te achten voor appellante. Wat betreft de conflictsituaties die in de geduide functies kunnen voorkomen, heeft bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-van Loon in haar rapport van 23 maart 2009 genoegzaam uiteengezet dat de functies ook met betrekking tot dat aspect geschikt te achten. Dat geldt naar het oordeel van de Raad ook voor wat betreft de oneffen ondergrond die volgens appellante in twee van de geduide functies kan voorkomen. De Raad verwijst naar het rapport van 19 april 2010 van bezwaararbeidsdeskundige Huisman die, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts op dit punt, overtuigend uiteengezet waarom ook op dit punt appellante niet in haar kritiek kan worden gevolgd.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling en toekenning van schadevergoeding als gevraagd bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ