Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10-6134 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (35-45%). Geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van het onderzoek en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Niet gebleken dat behandeling/therapie dermate intensief is dat appellant hierdoor frequent zal moeten verzuimen en een urenbeperking noodzakelijk is. Geschiktheid geduide functies. Voldoende opleidingsniveau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6134 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2010, 10/834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sedert 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens gewrichtsklachten in verband met de ziekte van Besnier Boeck (sarcoïdose). Deze uitkering is laatstelijk bij besluit van 20 augustus 2004 met ingang van 18 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dat besluit was gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 januari 2005. Deze beslissing is bij besluit op bezwaar van 22 november 2004 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2006 het tegen het besluit van 22 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 18 juli 2008 voormelde uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2. Bij brief 30 juli 2009 heeft appellant verzocht om een hernieuwde beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid wegens toegenomen klachten. Op 8 december 2009 is een medisch onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij appellants huisarts. Na ontvangst van diens brief van 31 december 2009 is de keuringsarts tot de conclusie gekomen dat de FML uit 2004 van toepassing is en dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit van 15 januari 2010 is appellant meegedeeld dat er geen verandering is in zijn arbeidsongeschiktheid en de WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. De bezwaarverzekeringsarts onderschrijft in haar rapport van 25 maart 2010, na dossierstudie en het bijwonen van de hoorzitting, het standpunt dat de FML van 1 december 2004 van toepassing is. Nu in die FML meer beperkingen zijn aangenomen dan in die van 31 januari 2005, komt de bezwaarverzekeringsarts dan ook tot de conclusie dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beperkingen neergelegd in een nieuw FML van 25 maart 2010. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens op 23 april 2010 een rapport uitgebracht, waarna het Uwv bij besluit van 4 mei 2010 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar gegrond heeft verklaard en de WAO-uitkering alsnog met ingang van 27 augustus 2009 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat appellant op 30 juli 2009 gedurende vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hij reeds een uitkering ontvangt en dat zijn loonverlies 49,3% bedraagt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en handhaaft – kort weergegeven – zijn standpunt dat zijn medische beperkingen niet, dan wel onvoldoende, tot uitdrukking komen in de FML. Ter onderbouwing heeft appellant informatie ingebracht van longarts J.W. de Jong van 10 november 2005, internist W.J.M. Jaspers van 13 december 2005 en diëtist C. Heinsma van 9 december 2005 en 13 december 2005, waaruit zou blijken dat sprake is van reuma, astma en het feit dat reeds in 2005 suikerziekte is vastgesteld.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank omtrent de medische beoordeling heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportages van 25 maart 2010 en 2 juni 2010 genoegzaam aangegeven waarom er geen (verdergaande) beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de door de behandelend sector vastgestelde diabetes mellitus, en de door appellant geclaimde astma klachten.

4.3. De Raad ziet in de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van het onderzoek en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad onderschrijft in dit verband het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in haar rapportage van 7 december 2010. In deze rapportage heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend aangegeven waarom de in hoger beroep overgelegde informatie haar geen aanleiding geeft tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt. Uit de informatie van de longarts De Jong blijkt dat in 2005 sprake was van een zeer lichte bronchiale hyperactiviteit, waarvoor toen een proefbehandeling met Seretide (inhalatie) is gestart. De internist Jaspers kon in 2005, behoudens de lichte leverfunctiestoornis op basis van obesitas, ook geen afwijkingen vinden. Ten aanzien van de in beroep overgelegde informatie van reumatoloog T.L. Jansen van 23 juli 2010, merkt de Raad nog op dat het onderzoek en de voorgeschreven medicatie dateren van ruim na de datum in geding.

4.4. Met betrekking tot appellants standpunt dat hij vaak zal moeten verzuimen vanwege therapie en ziekenhuisbezoeken onderschrijft de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in haar rapport van 2 juni 2010. Niet is gebleken dat behandeling/therapie dermate intensief is dat appellant hierdoor frequent zal moeten verzuimen en een urenbeperking noodzakelijk is.

4.5. Met de rechtbank onderschrijft de Raad eveneens de arbeidskundige component van het bestreden besluit. Dit betekent dat de Raad van oordeel is dat de door het Uwv ter berekening van appellants verdienvermogen geselecteerde voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. In dit verband merkt de Raad nog op dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing wordt gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen. Daarnaast kan de Raad appellant evenmin volgen in zijn stelling dat hij niet voldoet aan het in de functies vereiste opleiding dan wel ervaring. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige appellants opleidingsniveau terecht gewaardeerd op MBO en hiermee voldoet appellant dan ook aan het in de functies gevraagde opleidingsniveau. Een strikte diploma-eis of praktische ervaring is in geen van de geduide functies een vereiste. De Raad verwijst in dit verband nog naar de aanvullende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van

3 mei 2010.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG