Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10-2859 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts is zorgvuldig geweest. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van aangenomen medische beperkingen. De voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2859 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010, 08/2967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. De Ploeg een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Voor appellant is verschenen mr. De Ploeg en voor het Uwv A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 17 december 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 5 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Zij heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien om te oordelen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Ook ziet zij geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellant aangenomen medische beperkingen. Voor de stelling van appellant, dat de verplichting tot een volledige heroverweging in bezwaar inhoudt dat het Uwv in bezwaar had moeten onderzoeken of op een later moment dan per einde wachttijd (17 december 2007) recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, ziet de rechtbank geen steun in de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 4 april 2001, LJN ZB9197. De rechtbank heeft ter zake van deze stelling overwogen dat het Uwv in bezwaar terecht de op een na de datum in geding liggend moment mogelijk toegenomen klachten van appellant niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Wat het arbeidskundig aspect betreft, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het maatmanloon onjuist heeft berekend. Daarmee berust het bestreden besluit op een onjuiste arbeidskundige grondslag en komt het voor vernietiging in aanmerking. Omdat het gecorrigeerde maatmanloon waarvan de juistheid niet wordt betwist door appellant, niet tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse leidt, heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te worden gelaten.

4.1. De beroepsgronden van appellant in hoger beroep zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het besluit in rechte stand kan houden en de aan hem voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt voor hem zijn. Ook heeft appellant zijn stelling herhaald dat het Uwv bij het bestreden besluit de heroverweging van de verrichte schatting ten onrechte heeft beperkt tot de datum in geding en de door hem gestelde toename van zijn arbeidsongeschiktheid op een daarna gelegen datum niet in de heroverweging heeft willen betrekken.

4.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij de opvatting is toegedaan dat een heroverweging in bezwaar zich moet richten op de datum, genoemd in het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Appellant heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven de beroepsgrond met betrekking tot de omvang van de heroverweging in bezwaar niet te handhaven. Het ter zitting gedane verzoek om de zaak aan te houden en appellant in de gelegenheid te stellen met aanvullende medische informatie te komen, wijst de Raad af, onder verwijzing naar zijn hierna gegeven oordeel in 5.2.

5.2. Met de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de medische grondslag van het besluit niet in stand kan blijven. De bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts zijn voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en genoegzaam onderbouwd, mede met inachtneming van in bezwaar verkregen informatie van de behandelend psychiater en van informatie van de huisarts van appellant. De stellingen van appellant, erop neerkomende dat, gelet op zijn psychische klachten, bij het bestreden besluit ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren in de Functionele Mogelijkhedenlijst, acht de Raad toereikend weerlegd door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapportages van 21 april 2008 en 22 februari 2010. De in hoger beroep ingebrachte informatie over de psychische gesteldheid van appellant is van veel later datum dan de datum in geding en leidt dan ook niet tot een andersluidend oordeel. Gelet op het overwogene, ziet de Raad geen reden om het verzoek van appellant om een deskundige om verslag en advies te vragen in te willigen.

5.3. Ook de gronden, gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, treffen geen doel. De signaleringen bij aspecten van de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn genoegzaam toegelicht in arbeidskundige rapportages van 21 november 2007 en 1 september 2008. De Raad ziet ook geen steun voor de stelling van appellant dat er geen overleg is geweest tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige over de vraag of in een functie sprake is van langdurige en structurele bovennormaalwaarden. In de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Koek van 21 april 2008 wordt expliciet vermeld dat als dit zich in een functie zou voordoen die functie door de bezwaararbeidsdeskundige aan haar wordt voorgelegd. Vervolgens blijkt uit de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 1 september 2008 dat deze met betrekking tot meerdere functies heeft overlegd met bezwaarverzekeringsarts Koek, die voorts deze rapportage mede heeft ondertekend. De Raad kan zich derhalve niet stellen achter de opvatting van appellant dat de aan hem voorgehouden functies in medisch opzicht niet voor hem geschikt zijn.

5.4. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging, voor zover aangevochten, in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL