Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10-2542 AW + 10-4338 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslagdatum. Hoogte vertrekpremie. Reorganisatie. Herplaatsingskandidaat. De rechtbank heeft het besluit terecht vernietigd. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en onder voorbehoud van het daartegen ingestelde hoger beroep heeft appellant een nieuw besluit genomen. Daarbij is de ontslagdatum bepaald op 1 juli 2008 en aan betrokkene, in aanvulling op de reeds toegekende premie, een vertrekpremie van € 77.174,10 (bruto) toegekend. Het stond appellant niet vrij stond om betrokkene langer in dienst te houden. Appellant is zoals ieder deelgemeentebestuur onverkort aan het SSR gebonden, ook al is dit op het centrale niveau van de gemeente Rotterdam tot stand gekomen. Dat appellant de regeling van de vertrekpremie naar Feijenoordse maatstaven als te royaal beschouwt, kan aan die gebondenheid niet afdoen. De Raad heeft ook geen enkel aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat binnen het SSR de interne herplaatsing prevaleert boven het recht van de herplaatsingskandidaat om elders werk te zoeken. Artikel 3.2 van het SSR legt op de herplaatsingskandidaat juist de verplichting om zich in te spannen voor een passende functie "binnen of buiten de dienst". Daarbij geniet de ambtenaar in zoverre bescherming, dat het bevoegd gezag eerst zorgvuldig de mogelijkheden van interne herplaatsing moet onderzoeken alvorens over te gaan tot externe herplaatsing of tot reorganisatieontslag. Indien de herplaatsingskandidaat echter zelf de voorkeur geeft aan een baan buiten de gemeente, staat hem dat in beginsel vrij. Voor zover sprake is van pogingen om interne herplaatsing te frustreren, kunnen deze op grond van het SSR leiden tot ongevraagd ontslag. Daartoe is het in het geval van betrokkene niet gekomen. Het SSR voorziet ook niet in weigering of halvering van de vertrekpremie om die reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/43
ABkort 2011/446
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2542 AW + 10/4338 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2010, 09/718 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 6 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 21 april 2010 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat te ’s-Gravenhage, en door mr. S.M.H. Doesburg, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. M.R. Hoendermis, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als [naam functie] bij de sector Middelen & Control van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam. In 2007 is deze functie in het kader van een reorganisatie aangewezen als verdwijnfunctie. In verband daarmee is betrokkene bij besluit van 13 maart 2008 met ingang van 1 januari 2008 overgeplaatst naar het mobiliteitsbureau en aangewezen als herplaatsingskandidaat.

1.2. Bij brief van 14 juni 2008 heeft betrokkene zijn ontslag ingediend en aanspraak gemaakt op de vertrekpremie bedoeld in artikel 6.9 van het Sociaal Statuut Rotterdam 2005 (SSR).

1.3. Bij besluit van 22 juli 2008 heeft appellant, met toepassing van artikel 85, eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR), aan betrokkene per 1 augustus 2008 eervol ontslag verleend. Daarbij is hem een vertrekpremie toegekend van € 77.147,10 (bruto).

1.4. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Het bezwaar was gericht tegen de vastgestelde ontslagdatum en tegen de hoogte van de vertrekpremie. Bij besluit van 20 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

3. Op 21 april 2010 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en onder voorbehoud van het daartegen ingestelde hoger beroep het in rubriek I vermelde nieuwe besluit genomen. Daarbij is de ontslagdatum bepaald op 1 juli 2008 en aan betrokkene, in aanvulling op de reeds toegekende premie, een vertrekpremie van € 77.174,10 (bruto) toegekend.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. In artikel 6.9, eerste lid, van het SSR is bepaald dat de medewerker die voldoet aan alle voorwaarden een vertrekpremie meekrijgt volgens de bepalingen in het tweede, dan wel derde lid.

Voorwaarde a luidt dat de medewerker herplaatsingskandidaat is geworden op grond van het feit dat hij na een organisatieverandering geen plaatsingsaanbod heeft gekregen. Voorwaarde d houdt in dat de medewerker vertrekt nà het moment dat drie maanden verstreken zijn gerekend vanaf de datum dat hij herplaatsingskandidaat is geworden, maar vóór het moment dat twaalf maanden zijn verstreken, gerekend vanaf die datum.

In het tweede lid is neergelegd hoe de vertrekpremie wordt berekend voor de betrokkene die vertrekt vanaf drie tot en met zes maanden, gerekend vanaf de datum dat hij herplaatsingskandidaat is geworden.

In het derde lid is bepaald dat voor de betrokkene die vertrekt na het moment dat zes maanden vanaf die datum zijn verstreken, de vertrekpremie de helft bedraagt van het volgens het tweede lid berekende bedrag.

4.2. Niet langer is in geschil dat betrokkene per 1 januari 2008 als herplaatsingskandidaat moet worden aangemerkt. Gelet daarop voldoet hij aan de in artikel 6.9, eerste lid, van het SSR gestelde voorwaarden. Vast staat voorts dat een volledige vertrekpremie in het geval van betrokkene € 154.294,20 zou bedragen. Het door appellant toegekende bedrag van € 77.147,10 is daarvan de helft.

4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant de ontslagdatum mocht bepalen op 1 augustus 2008 en, in verband daarmee, of de vertrekpremie terecht is gehalveerd. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat het ontslag had moeten ingaan op 1 juli 2008. Dit zou betekenen dat hij zes maanden na ingang van de aanwijzing als herplaatsingskandidaat is vertrokken en daarom voor de volledige vertrekpremie in aanmerking komt. De rechtbank heeft betrokkene in deze zienswijze gevolgd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen - kort samengevat - dat appellant de ontslagdatum heeft gekozen uitsluitend met het oogmerk om de vertrekpremie te kunnen halveren en daarbij belangen in aanmerking heeft genomen die in het kader van artikel 6.9 van het SSR niet relevant zijn.

4.4. De Raad stelt voorop dat de ingangsdatum van een ontslag op eigen verzoek niet wordt geregeld in artikel 6.9 van het SSR, maar in artikel 85, eerste lid, van het AR. Hierin is voor zover thans van belang bepaald dat het ontslag niet wordt verleend vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen. Op verzoek van de ambtenaar kan hiervan worden afgeweken.

Ook in artikel 6.3 van het SSR is bepaald dat op verzoek van de herplaatsingskandidaat afgeweken kan worden van de in artikel 85 van het AR bedoelde ingangsdatum van het ontslag.

4.5. Blijkens het verhandelde ter zitting betwist appellant niet meer dat betrokkene heeft verzocht de ontslagdatum te bepalen op 1 juli 2008. Appellant was dus bevoegd om, in afwijking van de hoofdregel, de ontslagtermijn op minder dan een maand te stellen. De bevoegdheid om deze afwijking al dan niet toe te staan, is van discretionaire aard. Dit betekent dat de bestuursrechter de toepassing ervan slechts terughoudend kan toetsen. De bevoegdheid mag echter niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Evenmin mogen belangen worden meegewogen die, gelet op doel en strekking van de toegepaste regeling, geen rol kunnen spelen.

4.6. In het bestreden besluit heeft appellant drie argumenten genoemd die doorslaggevend zijn geweest voor de beslissing om de ontslagdatum niet te vervroegen. In de eerste plaats beschouwt appellant de (interne) overgang van werk naar werk als het voornaamste doel van het SSR. In de tweede plaats is appellant ontevreden over het gebrek aan medewerking bij betrokkene om te komen tot een herplaatsing binnen de gemeente Rotterdam. In de derde plaats heeft appellant gewezen op het belang van de deelgemeente Feijenoord - een gebied met schrijnende achterstandssituaties - bij een zo doelmatig mogelijke besteding van de publieke middelen.

4.7. Naar het oordeel van de Raad heeft de in artikel 85, eerste lid, van het AR neergelegde opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek ten doel de gemeentelijke organisatie te beschermen tegen onverhoeds vertrek van ambtenaren, waardoor de continuïteit van de openbare dienst in gevaar zou kunnen komen. Van een bedreiging van die continuïteit is in het geval van betrokkene niet gebleken. Zijn functie van [naam functie] was (uiterlijk) op 1 januari 2008 geëindigd. Vanaf deze datum was hij geplaatst bij het mobiliteitsbureau. Dit houdt in dat hij geen reguliere functie bekleedde, maar in afwachting was van de toewijzing van een nieuwe functie. Intussen heeft hij zich feitelijk beziggehouden met één of meer kortlopende projecten. Onweersproken is dat deze vóór 1 juli 2008 konden worden afgerond. Bezien vanuit doel en strekking van artikel 85, eerste lid, van het AR was er dan ook geen enkele reden om betrokkene ontslag per 1 juli 2008 te weigeren.

4.8. De Raad is verder van oordeel dat het appellant niet vrij stond om betrokkene langer in dienst te houden uitsluitend met het oog op de onder 4.6 genoemde belangen. Appellant is zoals ieder deelgemeentebestuur onverkort aan het SSR gebonden, ook al is dit op het centrale niveau van de gemeente Rotterdam tot stand gekomen. Dat appellant de regeling van de vertrekpremie naar Feijenoordse maatstaven als te royaal beschouwt, kan aan die gebondenheid niet afdoen. De Raad heeft ook geen enkel aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat binnen het SSR de interne herplaatsing prevaleert boven het recht van de herplaatsingskandidaat om elders werk te zoeken. Artikel 3.2 van het SSR legt op de herplaatsingskandidaat juist de verplichting om zich in te spannen voor een passende functie "binnen of buiten de dienst". Daarbij geniet de ambtenaar in zoverre bescherming, dat het bevoegd gezag eerst zorgvuldig de mogelijkheden van interne herplaatsing moet onderzoeken alvorens over te gaan tot externe herplaatsing of tot reorganisatieontslag. Indien de herplaatsingskandidaat echter zelf de voorkeur geeft aan een baan buiten de gemeente, staat hem dat in beginsel vrij. Voor zover sprake is van pogingen om interne herplaatsing te frustreren, kunnen deze op grond van het SSR leiden tot ongevraagd ontslag. Daartoe is het in het geval van betrokkene niet gekomen. Het SSR voorziet ook niet in weigering of halvering van de vertrekpremie om die reden.

4.9. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in rechte geen stand houdt. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Deze uitkomst van het hoger beroep brengt met zich dat het voorwaardelijke karakter aan het nieuwe besluit van 21 april 2010 ontvalt. Dit besluit komt voor het overige geheel aan het bezwaar van betrokkene tegemoet en behoeft daarom geen verdere bespreking.

6. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en M.C. Bruning en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD