Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10-1840 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Rechtbank heeft besluit ten onrechte vernietigd. Uwv heeft op juiste wijze een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Uit dat onderzoek is gebleken dat zowel bij aanvang verzekering als per einde wachttijd slechts één functie voor betrokkene als passend is aan te merken. Betrokkene is mitsdien terecht volledig arbeidsongeschikt geacht bij aanvang van de verzekering. Mede gelet op het theoretisch karakter van de schatting, dient in beginsel van de juistheid van de aan het systeem van het CBBS ontleende gegevens te worden uitgegaan. Nu het belastbaarheidspatroon van betrokkene bij aanvang van de verzekering niet is gewijzigd ten opzichte van de WAZ-beoordeling in 2002 heeft appellant daaraan bij besluit van 18 oktober 2010 het gevolg verbonden dat aan betrokkene met ingang van 7 maart 2002 alsnog een WAZ-uitkering wordt toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1840 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 februari 2010, 08/3466 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, waarbij een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. van Hulten van 23 april 2010 is overgelegd.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 8 maart 2001 uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig cafetariahouder. Bij besluit van 18 februari 2003 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 7 maart 2002 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), omdat hij voor minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Op 17 oktober 2005 is betrokkene als algemeen medewerker in dienst getreden bij [naam bedrijf] Voor deze werkzaamheden is hij op 12 december 2005 uitgevallen.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant, na een medische en arbeidskundige beoordeling, bij besluit van 28 januari 2008 aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 10 december 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat hij op 17 oktober 2005, toen hij begon met werken in loondienst, al ongeschikt was te achten voor zijn maatgevende arbeid.

1.3. Bij besluit van 11 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 januari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van 10 september 2008 van bezwaararbeidsdeskundige Van Hulten, ongegrond verklaard op grond van de overweging dat betrokkene - gelet op artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA - bij aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt geacht dient te worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit van 28 januari 2008 herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 10 december 2007 wegens arbeidsongeschiktheid van tenminste 35% recht heeft op WIA-uitkering voor zover de bepalingen van die wet zich daar overigens niet tegen verzetten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden gesproken van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de WIA-verzekering. Betrokkene werd immers begin 2003 geschikt geacht voor bepaalde loondienstfuncties, terwijl op geen enkele manier is gebleken dat de daaruit voortvloeiende (resterende) verdiencapaciteit op 17 oktober 2005 zou zijn verdwenen. De omstandigheid dat de in 2003 aangewezen functies op 17 oktober 2005 grotendeels niet meer in een door appellant aangehouden functiebestand zouden voorkomen, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Mitsdien berustte het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de juiste procedure is gevolgd en dat de conclusie niet anders kan zijn dan dat betrokkene arbeidsongeschikt was bij aanvang van zijn WIA-verzekering. Voorts heeft appellant de Raad een besluit van 18 oktober 2010 doen toekomen, waarbij aan betrokkene alsnog met ingang van 7 maart 2002 een WAZ-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant bij de beoordeling van de aanvraag van betrokkene om een WIA-uitkering op juiste wijze een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verricht. Op basis van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon bij aanvang verzekering (17 oktober 2005) en per einde wachttijd (9 december 2007) heeft de arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) onderzocht of voor betrokkene passende functies kunnen worden geduid. Uit dat onderzoek is gebleken dat zowel bij aanvang verzekering als per einde wachttijd slechts één functie voor betrokkene als passend is aan te merken. Betrokkene is mitsdien terecht volledig arbeidsongeschikt geacht bij aanvang van de verzekering. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de omstandigheid dat de in 2003 aan betrokkene voorgehouden functies op

17 oktober 2005 niet meer in het door appellant aangehouden functiebestand zouden voorkomen, niet beslissend is voor het al dan niet bestaan van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6390 dient, mede gelet op het theoretisch karakter van de schatting, in beginsel van de juistheid van de aan het systeem van het CBBS ontleende gegevens te worden uitgegaan. De Raad ziet geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Nu het belastbaarheidspatroon van betrokkene bij aanvang van de verzekering niet is gewijzigd ten opzichte van de WAZ-beoordeling in 2002 heeft appellant daaraan bij besluit van 18 oktober 2010 het gevolg verbonden dat aan betrokkene met ingang van 7 maart 2002 alsnog een WAZ-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarin ziet de Raad mede een bevestiging dat appellant er terecht van uit is gegaan dat betrokkene bij aanvang verzekering als volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen. Betrokkene heeft aangegeven zich met dit besluit te kunnen verenigen.

4.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM